Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Welgelegen, Zondagavond. Mijn lieve Anne Mietje.

Wat was het heerlijk, verleden middag zoo rustig even met elkaar te kunnen babbelen. Je begrijpt hoeveel belang ik in alles stel. Ik zou het zoo heerlijk voor je vinden, als alles gebeuren kon wat werkelijk goed voor je is. Ik moet je nog even schrijven, dat het mij zoo speet dat de dokter ons zoo spoedig stoorde. Maar je begrijpt wel, ik kon hem niet zoo maar wegsturen. We hebben allerlei plannen voor St. Nicolaas en Kerstfeest en daar moesten wij over spreken. Je had het hem niet zoo moeten laten merken, dat je het vervelend vond dat hij kwam. Je ging zoo gauw weg, je had ons best nog wat kunnen helpen met allerlei dingen te bedenken. Wil je wel gelooven, dat ik dikwijls het gevoel heb, alsof ik hier al jaren ben? Ik moet mij soms in mijn armen knijpen om te beseffen, dat ik het werkelijk ben. Ik heb nooit geweten dat kinderen zoo aardig waren. Herinner je je dat kleine meisje met de vuurroode appelwangetjes en dat kleine neusje en met die zwarte vlechtjes?

Gisteravond, toen ik haar nog even onderstopte en haar goedennacht zeide, sloeg ze ineens de armpjes om mij heen, drukte me stijf tegen zich aan en fluisterde: „Ik houd van alle, alle menschen in de heele wereld het meest nog van u."

Alles gaat zoo prettig en geregeld, en mevrouw van Steggerda is gelukkig tevreden. Zij komt nu lang zooveel niet meer als in het begin, ze heeft mij gisteren nog gezegd dat zij zoo ingenomen was met alles. En de zieke kinders sterken ook zoo goed aan.

Ik ben nu bezig met de kinderen Kerstliederen in te studeeren, je weet niet hoe aardig het al gaat.

Onkeltje I»

Sluiten