Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De notaris liep, diep in gedachten verzonken, met het hoofd eenigszins voorovergebogen, den kraag van zijn pels opgezet tot over zijn ooren en de handen in de zakken. Nu en dan bleef hij even staan, om de tranen uit zijn oogen te vegen, want 't was koud, snerpend koud, en dan blies hij zijn roode bolle wangen wat op om op adem te komen.

Hij was nu tot een beslissing gekomen. Hij zou eens ernstig met Anne Marie spreken, hij had overal geïnformeerd, overal heen geschreven, om wat meer te weten te komen van dien jonker van Ulckenhoven. Want dat hij een oogje op Anne Marie had, dat had hij al lang gezien. Ze beweerde wel dat Onkeltje geen verstand van die dingen had — zeker, dat zou ze nu ook wel weer zeggen — maar Onkeltje keek toch wat verder dan zijn neus lang was. Hij glimlachte even, toen hij dacht aan den naam waarbij ze hem noemden. Hij hoorde ze het nog zeggen, toen ze nog heel klein waren en op schoot zaten bij haar mooie jonge moeder. Die had ze dien naam leeren zeggen, eerst was het Petit-oncle, later Onkeltje geworden. Toen was er al in die mooie oogen de treurige, melancholieke trek gekomen, die hem altijd zoo'n pijn had gedaan. Ze hadden samen nooit over dien ander gesproken, dien ander, die tusschen hen in was gekomen en die het luchtige vroolijke kindvrouwtje, dat hij uit het zonneland had gehaald, nooit had weten te begrijpen of te leiden.

Nu zou hij er echter wel voor opassen, de geschiedenis zou zich niet herhalen — en hij klemde de lippen stijf op elkaar— Gelukkig, dat het nu nog bijtijds was. Hulp van de familie had hij niet te wachten. Had hij niet een brief in zijn zak, waarin Mevrouw Versteynen, met hare onsympathieke kinderachtige hand geschreven had: „Haal u toch geen muizenissen in 't hoofd, wat zou er op dien van Ulckenhoven aan te merken zijn ? Het is een schitterend huwelijk voor Anne Marie. We zouden niet dankbaar genoeg kunnen zijn. Niet alleen

Sluiten