Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paden. Een klein grijs-bonten mutsje op het hoofd en een hoog opstaan den bontkraag van de zelfde kleur, om haar schouders. Beide handen in de groote ronde mof. De koude had hare wangen donkerrood gekleurd en hare oogen tintelden van levenslust. Ook zij keek met welgevallen om zich heen. Nu en dan liet een wat al te zwaar beladen tak wat sneeuw vallenende kristallen vezeltjes zetten zich vast op haar mutsje en op de zwierige blonde krulletjes, die er onder te voorschijn kwamen.

Wat was alles mooi, hoe stil en hoe rustig, 't was net of de sneeuw alle geluid dempte, jammer dat ze nu zoo alleen moest loopen, ze had Ilse van de pastorie wel eens kunnen vragen om mee te gaan. Maar die had zeker geen tijd, die wandelde nooit, die holde maar van den eenen zieke naar den anderen.

Zij wilde toch eigenlijk wel liever alleen zijn. Ze had in den laatsten tijd ook zooveel om over te denken.

Wat had die kleine tante van den Ulckenhoven haar den laatsten keer, dat zij er geweest was, veelbeteekenend aangezien : „Ik kan het hier niet lang uithouden, mijn kind, het is barbaarsch die kou; Godert doet wel al zijn best, en ik geloof dat hij de helft van zijn bosschen wel zou willen opstoken als hij mij hier kon houden, maar ik zeg altijd maar: er zijn grenzen, ook aan naastenliefde, en ik heb er geen hartzeer over. Voordat de winter voorbij is zullen we elkaar nog wel eens een keer zien. Let er op kind, ik heb een profetischen geest."

Voordat de winter voorbij is, zou het dan gekomen zijn? Zou er dan tusschen hem en haar iets gebeurd zijn? Zou hij haar wat gezegd hebben ? O, van haar kant was er geen

twijfel mogelijk — zij had hem lief! Waarom? Ze zou

het niet kunnen zeggen. Maar dat eene, dat wist ze wel zeker — en of Onkeltje nu al bezorgd keek, of bedroefd, het

Sluiten