Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij* moeten gaan Godert, ze zullen niet weten waar ik blijf."

Nog even hield hij haar vast. „Je hebt me nog niets gezegd, je laat mij maar praten." — Zij echter verborg haar gezicht tegen zijn ruige jas. —

„Er is niets te zeggen, je weet toch alles wel ?"

„Ja maar, ik wil het graag hooren, kan je een beetje van me houden ? Zal je het kunnen verdragen, als ze je komen vertellen dat ik een groote nietsdoener ben, een domkop, die niet afgestudeerd heeft, iemand die van geen nut is in de maatschappij ?"

Nu lachte ze hardop. — „Dan ben ik een dito exemplaar, ik zou ten minste ook niet denken, dat ik in dat opzicht boven jou sta"

Hij keek in die lachende, blauwe, onschuldige oogen en even gleed er een schaduw over zijn knap gelaat. Toen trok hij haar weer naar zich toe ... . „Alsof jij in vergelijking met mij geen heilige waart, alsof jij . . . ." Maar nu sloot ze zijn mond, door even haar hand er op te leggen.

„Heusch, we moeten gaan."

Nu liepen ze weer voort, snel, naast elkaar in gelijken tred, over de sneeuw die onder hun voetstappen knapte.

Maar hij hield haar hand stevig vast, alsof hij bang was haar te verliezen.

Toen ze meer in de bewoonde wereld kwamen, trok ze haar hand terug en keek hem lachend in de oogen : „We moeten voorzichtig zijn en den menschen geen aanleiding geven tot praten vóór den tijd."

„Den menschen ?" herhaalde hij minachtend- — „Waar zie je die dan?"

Zij wees triomfantelijk in de verte, waar een groote vrachtkar kwam aanschokken.

„Daar zal toch wel een mensch achter loopen, zoo'n kar gaat toch niet van zelf!"

Sluiten