Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Onkeltje!" zeide zij heel zacht, „ik houd zoo verschrikkelijk veel van Qodert." „En hij?"

„Hij houdt ook zooveel van mij."

„Hoe weet je dat?"

„Dat heeft hij mij verteld."

„Wanneer ?"

„Vanmiddag."

Het leek wel een kort, zakelijk verhoor tusschen een rechter van instructie en een beklaagde.

Toen was er een lange, lange stilte, men kon de pendule hooren tikken en de vlammen knetteren.

„Vind je het niet goed?"

De groote blauwe oogen van het meisje keken hem smeekend aan. „Ik dacht," — vervolgde ze - „als je nu ook wist wat het was, dan kon je me beter begrijpen, en dan zou je toch weten dat er niets aan te doen is."

De notaris ging nu heel recht in zijn stoel zitten, de handen gevouwen, en een beetje voorover leunend. De sigaar lag nog steeds in het aschbakje, een klein dun rookwolkje kronkelde omhoog. „Er is liefhebben en liefhebben," — langzaam en met nadruk sprak de notaris. — „Je kunt liefhebben, en dat liefhebben kan je zoo sterk maken, dat het je opheft, dat liefhebben kan je zoo maken, dat de zelfzucht in je sterft en dat je geeft, al maar door geeft, en soms heel weinig terugontvangt. — Er is ook wat de menschen liefhebben noemen, iets dat voorbijgaat als een stormwind, of verschroeit en zengt als een vuurvlam, dat zwak maakt en zelfzuchtig, dat leeft van nemen en ontvangen, en dat sterft als een smeulend vuur bij gebrek aan voedsel. Je zegt dat jé liefhebt, Anne Marie, maar zal je hefde sterk zijn ? Nu vergood je hem, dien je zegt lief te hebben, nu dicht je hem allerlei goede eigenschappen toe, maar hij is niet wat hij je toeschijnt, hij is niet braver en

Onkeltje

Sluiten