Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK X.

Roortje's nachtelijke tocht.

BEN bijzonder heete middag in Mei. De zon brandt aan den hemel alsof het volop zomer is, en verwonderd kijken de menschen elkaar aan en zuchten, hoe warm het toch al in 't voorjaar kan zijn.

De lucht is helderblauw en als men over de uitgestrekte korenvelden kijkt, is 't, alsof de lucht trilt.

In de elzestruiken en kastanjeboomen met hun frissche, groene bladeren is het een getierelier en getjilp, dat hooren en zien vergaat, 't Is alsof ze de warmte niet voelen, de vogels, en alsof ze een wedstrijd hebben georganiseerd; nu en dan stuift er een wilde bende op en luid krijschend zoeken ze beschutting onder een volgenden boom. De brem is al uitgebloeid, maar tusschen het gras, langs de grintwegen, zijn de meizoentjes en wilde viooltjes gestrooid en andere kleurige geurige kruidjes en daar, waar het beekje voortstroomt in zijn smalle ondiepe bedding, schiet aan beide kanten weelderig en groen het gras op en daar tusschen, half verscholen, staan de kleine vergeet-mij-nieten te droomen.

In het altijd groene dennenboschje achter de villa „Welge*legen" spelen de vroolijke kindertjes. Ze zijn net als de vogels. Wat weten ze van warmte ? Slechts, als ze wat al te hard gedraafd hebben, wrijven de meisjes al hijgend en

Sluiten