Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blazend met de kleine, witte boezelaars langs de roode koonen en de jongens met den bovenkant van hun mouw.

Sommigen zitten op de heerlijke droge bruine dennenaalden en rijgen kleine kransjes van meizoentjes, anderen zingen weer, terwijl ze Mand in hand in statigen rondedans draaien en zingen: „In Holland staat een huis."

De juffrouwen, die toezicht hebben op de kinderen, zitten in rieten stoelen te handwerken, maar laten steeds een wakend oog gaan over de kinderen.

Ze zijn er allemaal, allemaal, die tot het huis behooren, behalve Roortje.

Roortje moet huiswerk verrichten,, ze moet trachten heel knap te worden, om later een goeden dienst te krijgen en zoo vooruit te komen in de wereld.

Hoe dikwijls heeft ze dit niet gehoord?

Bahl — je zou er wat van krijgen.

„Braaf zijn," 't ligt hun op den mond bestorven.

„Je best doen" — zeker — dat zeggen ze wel tienmaal per dag.

Roortje (of Aurora Swet, zooals ze eigenlijk heet) kijkt uit het raam en zucht diep.

Ze is in 't oogvallend groot en forsch gebouwd.

Bijna zestien! Ze kon wel achttien wezen.

Ze tuurt uit de bovenste verdieping over de bebouwde velden, naar den verren gezichteinder. Of ze wat ziet van al de pracht en schoonheid der lente?

Ze behoeft niets te zien, ze voelt het in haar binnenste, hoe de zoele, zachte, droomerige lente lokt en belooft en wakkerschudt!

O! het buitenleven haat ze, voor de natuur heeft ze geen oog en geen hart. Ze balt de vuisten, als ze er aan denkt hoe ze hier opgesloten zit.

Ze heeft in haar hand een verkreukelden brief van een

Sluiten