Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderwijl was het daarbuiten onheilspellend stil geworden in de natuur, zelfs de vogels hadden opgehouden met fluiten. Aan den effen horizon kwamen heel langzaam donkere wolken oprijzen, 't Leek wel een leger van zwarte draken, zoo grillig en fantastisch waren de silhouetten der wolkenfiguren. Maar Aurora lette daar niet op, ze werkte ijverig voort, nu en dan wuifde ze met den stofdoek uit het raam in de heete lucht, 't Was buiten nog warmer dan binnen.

Hoe het straks gaan zou? Ze zouden haar niet missen vóór acht uur. Eerst zouden ze denken dat ze naar den boer was om melk te halen, en de juffrouwen zouden elkaar toeroepen dat Roortje weer zoo lang wegbleef met de melk.

Dat deed ze immers wel meer. 't Was vrij wat aardiger, op de boerderij wat te praten, dan met je werk in de kamer te moeten zitten.

„Ja", zeide ze, kwaadaardig nog eens den stofdoek uitkloppend en naar beneden kijkend: „Roortje blijft lang weg met de melk, je zult zeivers kunnen gaan om ze te halen."

Toen in huis de vroolijke kinderstemmetjes begonnen te verstommen, en de juffrouwen nog op de slaapkamers bezig waren, sloop Aurora als een dief de trappen af. Haar hoed en mantel had ze aan den achterkant al uit het raam gegooid en over haar zwarte japon had ze de groote, witte schort geknoopt. Al kwam ze nu iemand tegen, dan zou die het nog zoo gauw niet merken.

„Roortje! ga je de melk even halen ?" hoorde ze boven aan de trap.

„Ja juffrouw," — riep ze heel gedienstig naar boven — „'t zal misschien nog wel effekens duren, want de knecht die altijd melkt is ziek."

Zie zoo! — dacht ze, wegsluipende — nu zal je mij in het eerste halfuur niet missen. De mantel en de hoed waren gelukkig niet in een boom blijven hangen. Nu maar kalm op

Sluiten