Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heel zacht speelde hij op zijn mooie orgel, hij deed het wel meer, hij had haar zoo dikwijls in slaap gespeeld.

Zacht en gedragen klonk de melodie, de muziek drong door tot in haar kamer en scheen de geheele ruimte met haar klanken te vullen.

Beveel gerust uw wegen, Al wat u 't harte deert,

Der trouwe hoede en zegen Van Hem, die 't al regeert,

Die wolken, lucht en winden Itók^ Wijst spoor en loop en baan,

Zal ook wel wegen vinden Waar langs uw voet kan gaan.

Telkens maar weer klonk het van voren af aan. Ilse telde niet meer, ze snikte als een kind. Als God je nog zoo'n vader liet, zoo teergevoelig, zoo warm van hart, die medeleed en medestreed, zonder ooit je teere plekken aan te raken, die alleen maar hielp door lief te hebben en voor je te bidden, dan had de Heer je toch nog heel veel gegeven.

Ze had zoo dikwijls anderen toegesproken en anderen gezegd dat zij eenswillend moesten zijn, en nu kwam God tot haar met de vraag: „En gij dan?"

Daar was de melodie weer, nu iets luider, nu in hooger toon, nu alsof het een loflied was:

Beveel gerust uw wegen Al wat u 't harte deert.

En toen was het stil, heel stil in de kamer daarnaast, maar het licht brandde nog steeds.

Ilse vouwde ook de handen, 't was haar alsof ze door de deur heen kon zien, alsof ze het grijze hoofd gebogen zag van den stillen man, die zoo weinig zeide en toch zoo diep voelde.

Ze kon nu zelf nog niet bidden, nu wilde ze nog stil wachten

Sluiten