Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geef u er mij ook een." Haastig nam hij het uit hare handen aan en spoedde zich naar het bosch. Eerst fietste hij een eind grintweg, toen zette hij zijn fiets tegen een boom, want langs het kleine paadje, door de heide, kwam men in het mooie statige pijnbosch.

Hoe moedig was toch zijn meisje, om 's avonds zoo alleen midden in een bosch te durven gaan. 't Was er zoo stil, slechts het ruischen van den wind door de toppen der boomen hoorde men. Het zachte mos doofde het geluid van den voetstap; hier en daar kraakte slechts een dorre tak, als hij vertreden werd.

De dokter zette het fluitje aan den mond. Schril, brutaal, doordringend klonk het scherpe geluid.

Hij stond stil, om aandachtig te luisteren. Slechts het suizen en zuchten der boomtoppen. Hij moest eerst maar een tien minuten doorloopen. Zijn arm klein meisje, wat moest ze toch angstig geweest zijn om dat kind, dat ze zoo diep het bosch was ingegaan, misschien was ze er al niet meer, en langs een omweg naar huis gegaan.

Hij zou een grooten boog maken en dan het pad dat op den grintweg aanliep weer zien te vinden in de heide.

't Was 's avonds anders niet gemakkelijk om je weg te \ inden, gelukkig dat hij zijn fietslantaarn bij zich had. Ze iiad ook niet alleen moeten gaan, hoe hadden die menschen •het nu kunnen toelatettf Er was ook niemand om voor haar te zorgen, maar hij zou er een eind aan maken, hij zou het meizanger verzwijgen wat er in hem leefde, groeide en bloeide. Hij zou den moed hebben om uit haar mond zijn oordeel aan te nemen. Of ze van hem hield ? Soms zou hij zeggen van ja, en dan dacht hij weer van neen, ze was tegen iedereen altijd even vriendelijk en aardig. Heel anders dan haar zuster, die stak haar gevoelens niet onder stoelen en banken. Die was nu den koning te rijk met dien rijken niets-

Sluiten