Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O wat gelukkig!" roept nu de frissche meisjesstem terug „ik heb me toch zoo angstig gemaakt. Weet u" zeide zij, als een kind zoo vertrouwelijk tot hem opziende, „ik was toch zoo bang dat het mijn schuld was; ik was misschien niet vriendelijk tegen haar geweest; ze kon wel eens iets vreeselijks gedaan hebben, iets dat nooit meer goed temaken was, en dan zou het mijn schuld geweest zijn. Ik ben toch zoo angstig geweest."

Nu barstte zij in eens in tranen los. De jonge man denkt aan niets meer, hij slaat de armen om haar heen en drukt haar hoofd tegen zijn schouder. „Soeurette! ik heb je zoo lief, huil toch niet, 't is alles al lang voorbij, al die angst en al die zorg. 'k Heb het je al zoo lang willen zeggen, maar ik durfde niet, ik was zoo bang dat je neen zou zeggen." Het snikken hield op, zijn lantaarn had hij op den grond gezet en de hare was gevallen, hij kon haar oogen niet goed zien, maar hij voelde hoe ze haar hoofd dichter tegen hem aan vlijde.

Zij had geen hoed op, en haar krullend haar beroerde zijn wang.

„Vind je het niet brutaal dat ik het je maar zoo zeg ? Maar ik heb mij zoo bezorgd over je gemaakt, ik kon me niet langer goedhouden. Zeg me nu eerst: mag ik van je houden, en ben je niet boos op me, en is er ook iets in je hart voor mij ?"

Een heel zacht gelukkig lachje hoorde hij vlak bij zijn oor, en bijna onhoorbaar zeide ze: „Malle jongen, er is toch niets kwalijk te nemen." Toen nam hij haar eerst recht in zijn armen en de maan en de sterren waren slechts getuigen, hoe eerbiedig en teer hij haar kuste, alsof zij eigenlijk ver boven hem stond.

„Ik heb al zoo vreeselijk lang van je gehouden," zeide zij toen heel eenvoudig, „eigenlijk van af den eersten keer dat

Sluiten