Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weest was en gezien had, hoe de jonge man zijn vrouw met liefde omringde, en hoe stralend gelukkig zij beiden schenen, troostte hij zich met de gedachte dat hij vroeger wel een beetje te zwaartillend was geweest, en de dingen soms door een al te donkeren bril had bekeken. Hoe gelukkig stond ze daar nu voor hem, met haar lachende oogen en de lichte japon, terwijl ze hem plagend bij den arm trok: „Toe nou, Onkeltje, kom nu, je moet niet lui zijn, ga nu gauw met me mede, anders is de dag dadelijk om."

In de auto en 's middags aan tafel was ze druk en opgewonden, en ze ratelde aan één stuk door. Maar s avonds toen de notaris met haar in de mooie zaal zat en de knecht alles wat voor het theeschenken noodig was, had binnengebracht en zij wist dat zij niet meer gestoord zouden worden, zweeg ze eerst een langen tijd stil.

Ze zat op' een paar kussens in de groote, ouderwetsche vensterbank. De antieke, in lood gevatte ruitjesvensters waren gemoderniseerd tot openslaande ramen, die nu wijd openstonden

Van uit de gracht, die het kleine kasteel omgaf, klonk het luide gekwaak der kikkers en heel in de verte alsof het een muziekinstrument was, dat met een sourdine werd bespeeld het zachte gekriek van krekels ergens ver weg, in het gras, tusschen

het hooge hout.

Anne Marie had de handen achter haar hoofd samen gevouwen. Ze droeg een soepel, wit zijden kleed, zonder eenige versiering. Nadenkend keek zij den notaris aan, die vlak bij haar zat in een gemakkelijken stoel.

't Begon al donker te worden, maar nog had Anne Marie de staande lamp, die vlak bij de theetafel stond, niet aangestoken Onkeltje" - zeide zij op eens langzaam - „heb je ook wel eens in je leven gedacht, dat geld je eigenlijk mets kon schelen ?"

Sluiten