Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verrast keek de notaris haar aan. 't Kind had iets waar zij over tobde, dan begon zij altijd met zulke vragen te doen, waarvan men eerst niet wist, wat ze eigenlijk te beteekenen hadden.

„Ik heb nooit veel om geld gegeven," antwoordde hij rustig, „ik heb altijd geweten, dat het beste in 't leven toch niet te koop was. Maar ik ken wel iemand" — vervolgde hij, haar schalks aanziende — „die vroeger wel vond, dat het eigenlijk alles was."

„Vroeger" — haar stem klonk mat — „vroeger was ik een dwaas kind en nu.... ?"

„En nu?" herhaalde de notaris ademloos.

„Nu ben ik een dwaze vrouw"

„Onkeltje," — zeide ze, op eens van toon veranderende,— „ik wou, dat ik maar weer een kind was; ik wou dat ik een heeleboel dingen niet wist, die ik nu wéét; ik wou dat ik naar een heeleboel dingen niet verlangde, waaraan ik vroeger nooit gedacht heb."

Toen was er een lange stilte.

't Was den ouden man in eens, of hij alles begreep, 't Was, alsof hij haar moeder weer voor zich zag zitten, nu jaren geleden.

Toen begon hij te praten. Zij was naast zijn stoel gaan zitten op den grond, even als vroeger, toen ze nog een kind was, en zijn hand rustte op het lichtblonde hoofd.

„Zie je," — zeide hij zacht, en oogenschijnlijk leek het, alsof zijn spreken niets met haar zeggen te maken hadfc — „er is liefhebben en liefhebben. De liefde, die blijft, dat is liefde, die zich zelf geeft, die altijd geeft en nooit vraagt, die sterk is en krachtig, die opheft en ophelpt. Maar die heeft niemand van zich zelf. Er is eigenlijk geen grooter wonder in de wereld, dan dat twee zondige! menschen samen gelukkig zijn. Als we onze liefde door God hebben laten heiligen,

Sluiten