Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was de geboorte van de hoogste Drie-Eenheid. Daar stonden Brahma, Vishnu en Siva. (De Schepper, de Onderhouder en de Vernieler). Brahma de Middellijn, Vishnu het Laagste Punt, en Siva het Hoogste. Want er zal geen stofje in de eeuwigheid verloren gaan; er is geen Vernieling, of zij gaat met een hoogere Opbouw gepaard. Zoo werd hier dus geboren, de Spiegel van de allerhoogste Rechtvaardigheid. (De Trimurti van de Boeddhisten, afspiegeling van den namelooze driehoek „Aum").

Blz. 8, strophe 4. „Het Para-Brahma, was na een tijd van rust, opnieuw weer tot den kring der Schepping afgedaald". Het is de grootste bewaarheding van de wet, dat er „begin noch einde" is, in het heelal. Het ééne vloeit slechts uit het andere voort. Geen rijkdom, of hij ontstaat uit armoede. Geen zwakte, of zij ontstaat uit sterkte. Geen zwart, of het ontstaat uit wit. Hoe zoude ik de deuren van het geluk kunnen binnentreden, als ik niet het veld van het ongeluk achter mij kon laten? Ja, hoe zouden zich de poorten des Doods voor mij openen, als ik niet, in het „Levensatrium" met spanning „het oogenblik" verwachtte? Zoo ook de Godheid. Hoe zoude Zij zich laten dalen tot den kring der Schepping, zonder te zijn gekomen uit de sfeer van Goddelijke Rust; de éénige, ware, absolute Sabbath.

En ééns zal de tijd komen, dat Zij zich zal terugtrekken van deze aarde; het zal de zevende dag zijn van de scheppingsweek. Doch zes volle dagen zal het menschdom door moeten gaan, om op te klimmen tot den tempel van „Harmonie".

Blz. 8, strophe 5. Hier is het oogenblik gekomen, waarop de Monade, de „Eenheid", het „man-vrouwelijke", zich splits in de Duade, de „tweeheid", „positief en negatief", „man en vrouw".

Blz. 8, strophe 6. Het is het water der Leering, waar doorheen nu den weg gelegd is, welke de dalende Godheid moet begaan.

Blz. 8, strophe 7. „De Geest Gods broedde op de Wateren". En zoo brak het tijdstip aan van de Geboorte van het Spiegelbeeld: De Stofheid. (De Natuur: de Mensch.)

Blz. 9, strophe 1. „Maar de Godheid zonk, begeerig naar leven". Als wij, boetvaardig, aan het einde onzer hemelsche reis zijn gekomen, kennen wij slechts één begeerte: „de wil om te leven ( fT"^"^ )"• Het is niet de vergankelijke, aardsche schittering, die ons dan aantrekt; neen, maar dan is eindelijk de tijd aangebroken, dat wij door nieuwe daden, dé ouden kunnen verbeteren.

Dat is onze levensdrang. Want slechts hier, in de stof der stofheid, is de plaats gelegen van boetedoening en verbetering en, tenslotte, van overwinning.

Niet den leugenachtigen asceet of den kluizenaar zal de overwinning

Sluiten