Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukkingen aan, b.v. in het bekende iuris praeceptum: „Suum cuique tribuere".

Wanneer we de begrippen en de begripsverhouding „mijn eii dijn" willen doordenken, dan komen we eerst tot de begrippen „ik en gij". Hierover heeft Hessing in De Idee VI, 212") eene belangrijke opmerking gemaakt, waarbij bij de nadere uitwerking aan den auctor intellectualis dier opmerking, Thieme, heeft opgedragen. In afwachting daarvan moet ik voor mijn doel echter alvast enkele opmerkingen omtrent die begrippen trachten té formuleeren.

De rede als het op en voor zich zelf zijnde, d. i. als het vrije denken, zich verwerkehjkend, stelt zich als het Ik of Subject in eigen veeleenheid van ikken of subjecten.

Het Subject of algemeene Ik, dat het algemééne Wij is, dat wij (enkelingen) zijn1), is voor ieder onzer (d. w. z. voor elk verenkeld bestaan van hetgeen „Wij" is) zijn eigen enkele ik, dat, omdat het het algemeene Wij is, dit zijn bestaan heeft in relatie tot de andere ikken (tot hen), die immers ook „Wij" zijn, welke te zamen genomen in hun algemeene, dat is in nog niet bepaalde betrekking tot een (bepaald) enkel ik staande, gelden als de onverschillige veelheid van ikken, die het enkele *'* zich aanduidt als »y, of, zich een enkel van die zij's (d. i. één van hen) denkend, aanduidt als hij3).

Het bestaan van het enkele ik tegenover de hem onverschillige veelheid van de andere ikken, komt als bepaald bestaan, als enkel *'* (of enkeling), telkens alleen tot dit bestaan tegenover die anderen, in bepaalde relatie tot één dier anderen. Deze verbijzondering van die algemeene relatie van ik tot de andere ikken (tot hen), zich bepalend tot relatie van ik tot één van hen (tot één hij), wordt als relatie van ik tot hem tot het zich wenden van ik tot gij, in welke relatie ik voor gij: gij, en gij voor gij: ik zijn.

Van zich als ik en van hem als gij gewagend, heeten ik en gij deze relatie in hare veeléénheid: wij, welk wij een verbijzondering is van het bovengenoemde algemééne Wij. Het algemeene Wij is hierin verbijzonderd tot een gemeenschappelijk ik, Tïet één-zijn van ik en gij, dat wij heet.

*) Cf. Hegel, Phaenomenologie (Ed. Bolland) blz. 428: „Das Einzelne als solches ist wahr nur als allgemeine Vielheit der Einzelnheit". *) Cf. ook Wattjes, De Idee VI, blz. 1.

Sluiten