Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus één bij met het zijne, geworden tot een gij met het dijne. Er komt nu verandering, beweging in de latente relaties: wij contracteeren, waarbij onze individueele willen worden tot een gemeenschappelijken1) wil over het onze, welk wij en welk onze dan toch tevens in relatie blijven staan tot het algemeene Wij en het algemeene Onze, zoodat ook bij contract ieder het zijne, — nu niet alleen te laten, maar — te geven is.

V.

De Overeenkomst.

Door mijn wil in de zaak te leggen (door haar eigenaar te zijn) heersch ik over de zaak, welke mij dient. Wanneer ik deze mijne, tot heerschappij over de zaak geworden, vrijheid wil blij ven handhaven op deze wijze, dat ik die heerschappij „voor geen prijs" wil laten varen, dan is daarmede mijne vrijheid als heerschappij verkeerd tot knechtschap ten aanzien van de zaak, welke dan de mij beheerschende blijkt te zijn. Ik ben dan de slaaf van mijn bezit, onvrij (b.v. als vrek, rariteiten-verzamelaar etc).

De persoon, die in zijn heerschappij over de zaak zijne vrijheid werkelijk weet te handhaven, zal dan ook deze vrijheid bij gelegenheid betoonen in zijn besluit de zaak prijs te geven. Omdat de in-bezit-neming van de zaak verwerkehjking van mijn vrijen wil was, kan ik mijn wil ook weer van de zaak afwenden. Ik kan, en als vrije wil, als persoon, moet ik bij gelegenheid mijn eigendom der zaak opheffen 2); ik ben zóó wezenlijk vrij, dat ik de betooning mijner vrijheid in den eigendom, dat ik deze dubbele negatie van negatie (zie sub IV) zelve weer kan negeeren, waardoor ik als persoon uit de uitwendige zaak weer tot mij zelf inkeer. Zonder eenig eigendom te hebben zou de persoon juridisch leeg zijn; hij ware dan slechts rechtssubject, slechts mogelijkheid eigenaar te zijn.

In het zijn van eigenaar ligt dus opgesloten, dat ik over de zaak kan beschikken, en dit in verschillenden zin »). Vooreerst is het in bezit nemen (potentieel) al reeds beschikken over de zaak. Voorts beschikt de eigenaar (reëel) over de zaak in dien zin, dat hij (in beginsel) de zaak kan behandelen zooals bi j wil, dat hij haar

*) Cf. Hegel, § 71 Zusatz.

*) Cf. Hegel, § 73.

*) Cf. Hegel, § 65 Zusatz.

Sluiten