Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar het aanbod (potentieele belofte) in aanleg reeds de overeenkomst (reëele belofte) is.

Het aanbod, dat de eigenaar omtrent zijn zaak aan den ander, doet, iseene belofte om te praesteeren. Zoolang het niet aangenomen is, is de overeenkomst nog niet tot stand gekomen, en dus de zaak nog niet b.v.. weggeschonken. Maar in de belofte om de zaak weg te schenken onder beding dat de ander dit accepteert, ligt meteen, vóór de aanneming, al reeds een gebondenheid van den aanbieder aan zijn aanbod, zoodat hij, hoewel vóór de aanneming nog niet weggeschonken hebbend, toch al reeds de zaak inzooverre weggeschonken heeft, dat hij verplicht is, gebonden is, te leveren, indien de ander verklaart te accepteeren. Het aanbod doen is al reeds zich gebonden hebben en toch nog niet verbonden zijn; het is al schenken en nog niet schenken; het aanbod of de belofte maakt al reeds schuld en nog geen schuld *

Deze tegenstrijdigheid in het aanbod uit zich hierin, dat het wel is waar herroepelijk is, maar alleen zoolang de ander het nog niet aangenomen heeft. Is b.v. diens aanneming per brief onderweg, en de aanbieder herroept het onderwijl telegraphisch, en dit telegram komt eerder dan den brief aan, dan geldt die herroeping niet; hieruit blijkt het reeds gebonden zijn. Deze gebondenheid aan eigen aanbod wordt na de aanneming tot onherroepelijke gebondenheid, dat is tot verbondenheid; het aanbod is opgeheven tot overeenkomst.

De gewone manier*) van zeggen is, dat voor de overeenkomst „wilsvereeniging" (niet alleen wilsoverstemming) noodig is, nl. dat de door de eene partij geuite wil door de wilsverklaring van de andere partij moet „gegrepen" en „vastgehouden" worden.

De eenzijdige verstandswetenschap der juristen heeft moeite deze hare eigen formuleering te begrijpen; met name heeft b.v. Naber (reeds in 1889) 8) betoogd „dat het begrip „overeenkomst"

1) Cf. Bolland, Z.R.* blz. 437.

2) Cf. b.V. WlNDSCHEID KlPP, § 69.

*) R. M. 1889: Begrip of etiket. Ik neem den grooten geleerde Naber als voorbeeld, omdat deze het meest geslaagde type is van den eenzijdig Verstandig redeneerenden jurist, die zonder consideratie en met ijzeren en ijzige consequentie zijn betoog ad absurdum voert; bij hem vernielt het verstand zich zelf, echter zondej tot redelijkheid te komen. Een juridisch begrip doordenkend, betoogt hij de onhoudbaarheid ervan, om het dan eenvoudig als ondeugdelijk weg te werpen.

Sluiten