Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwaliteit is het, die (economisch) verschijnt, en zoo de zaak der economie is.

Bij eenzijdige overeenkomsten (b.v. eene schenking) is er geen aequivalente contra-praestatie, en is het contract dan ook onvolkomen in dien zin, dat de wil tot vervreemden en verkrijgen tusschen de partijen verdeeld is (Hegel's „formeele" overeenkomst, § 76). Bij wederkeerige overeenkomsten (bv. koop) willen beide partijen het geheel, de totaliteit (Hegel's „reëele" overeenkomst, § 76; zie hierboven sub III).

De overeenkomst is dus de eenheid van de-eenheid-en-hetonderscheid der twee willen 1). De eenheid, die hier als gemeenschappelijke wil, als overeenkomst, deze tegenstrijdigheid in zich draagt en daarmede verdraagt, is het Recht zelf, de Persoon, in welken wil en als welken' wil de personen elkaar wederkeerig als persoon erkennen.

In de overeenkomst of het „verdrag" verdragen de personen elkaar; dit verdragen der hierboven ontwikkelde tegenstrijdigheid is eene spanning, welke door het sluiten der overeenkomst voortduurt als de verbintenis, en welke spanning eerst opgeheven wordt door de levering. Deze is de zelfontspanning der verbintenis; de partijen zijn na de levering dan ook geen partijen meer, ze zijn dan „van elkaar af".

In den eigendom was de wilsuiting (het in-bezit-nemen) tot rust gekomen; als overeenkomst komt de eigendom opnieuw tot zijne werkzaamheid, om in de verbintenis, zoolang deze „zweeft", weer betrekkelijk latent te worden, daarna weer werkzaam te worden als levering, om daarna wederom rustig eigendom te zijn.

Het bezit, dat om te beginnen een (noch rechtmatig, noch onrechtmatig) feit is, verheft zich in den eigendom tot een rechtmatig feit, dat is tot recht. De in-bezit-neming was momenteel, de eigendom is durende feitelijke macht, die als rechtmatige macht tevens recht (op die macht) is. Het sluiten van de overeenkomst is wederom een momenteel feit, dat onmiddellijk met zijn gebeuren gebeurd is, dus in het verleden ligt, maar dat tevens zich (als opgeheven „moment") durend voortzet in de verbintenis, dat is in het complex van rechten en plichten met de overeenkomst ontstaan. Deze met-feitelijke, niet-ervaarbare, doch „slechts" te denken verbintenis duurt voort tot zij zich opheft in de levering,

*) Cf. Hegel, § 73.

Sluiten