Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tegenstrijdigheid is dus, dat gedurende de verbintenis ieder van beide partijen van de te leveren zaak niet (niet meer en nog niet) en wel (nog steeds en al reeds) eigenaar zijn. De eigendom van dengene, die zich verbonden heeft te leveren, is daarom zóó, -dat hij alleen eigenaar blijft en tot de levering te zorgen heeft te blijven, met het doel om in den met dien der andere partij overeenistemmenden gemeenschappelijken wil op te houden eigenaar te zijn en dit den ander te maken. De eene overeenkomst tot vervreemding gesloten hebbende eigenaar heeft zijn „woord" aan den ander „gegeven", dat is: zijn wil aan den ander verbonden; de tot gemeenschappelijken wil geworden individueelen wil (cf. Hegel, § 73) is dus tevens wil van den ander geworden. Daarom is de schuldenaar zijne vrijheid tot willekeurige bescbikkingsdaden over de zaak kwijt. Zijne vrijheid tot beschikken (zie sub V) heeft hij bepaald, dat is beperkt tot eene „uitgesproken" bijzondere wijze van beschikken, welke zelfbepaling een zich zelf verbinden en daarmede eene plicht is, n.1. de plicht de zaak zóó te behandelen (te bewaren enz.), dat hij deze bepaalde beschikkingsdaad (eigendomsoverdracht) zal kunnen doen, dus dat hij zal kunnen leveren; deze plicht heet zijn „garantieplicht", welke van de zijde van den debiteur de „inhoud" van de verbintenis is.

Van de zijde van den schuldeischer is de inhoud van de verbintenis eene gerechtigde verwachting (het z.g. „vorderingsrecht", dat echter voorloopig nog géén recht tot vorderen geeft!) op behoorlijke nakoming door den schuldenaar, en voor den duur van de verbintenis, de verwachting, dat de debiteur bezig is zijn garantieplicht te vervullen. Eerst op den dag der levering (den „vervaldag") zal blijken of de debiteur aan zijn garantieplicht voldaan heeft, en eerst dan kan de crediteur, als hij door het niet nakomen van diens garantieplicht, dat is dus door de „schuld" van den debiteur, de zaak niet kan verkrijgen, tegen den debiteur eene (rechtsvordering instellen.

De garantiezorg van den debiteur is in beginsel negatief; zooals de crediteur tijdens de verbintenis (in het algemeen) nog niets mag doen, doch alleen heeft af te wachten, zoo heeft de debiteur (in het algemeen) ook nog niets te doen, hij heeft alleen alles na te laten, wat de nakoming der verbintenis zou verhinderen, welk nalaten overigens zeer wel kan bestaan in positieve daden (b.v. bij moet nalaten het verkochte dier slecht te voederen, dus het goed voeden enz.). Maar in het algemeen zijn de twee partijen bij eene verbintenis

Sluiten