Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om eene zaak te leveren1) voorloopig werkeloos; haar gemeenschappelijke wil is latent geworden en uit zich voorloopig niet.

Dit latent-zijn is echter niet zonder innerlijke spanning; elk der partijen „zit in spanning" of de ander zich wel aan de verbintenis „zal houden". Deze spanning, welke ligt in de tegenstrijdigheid, die het wezen der verbintenis is, n.1. dat beide partijen van dezelfde zaak elk wel en niet eigenaar zijn, zal zich opheffen, indien de eene partij wel en de andere niet eigenaar van de zaak geworden is, tot welke zij eerst in omgekeerde verhouding stonden. Deze opheffing geschiedt door en als de levering, waartoe de spanning der verbintenis zich uit zich zelf ontspant, want zij behoort zich daartoe te ontspannen (Hegel's „selbstlose Folge", § 79), omdat de partijen zich aan de verbintenis behooren te houden. Want de verbintenis is niet iets anders, dat behoort nagekomen te worden, maar is dit „behooren te houden" zelf. Zij is als de rechtsbetrekking (in haar totaliteit genomen) tusschen de twee partijen, de aan beide partijen gemeene wetenschap van datgene, waaraan zij zich behooren (moeten én mogen) te houden, en wel zoo, dat dit gemeenschappelijk „behooren" voor elk van beide partijen afzonderlijk het zich behooren (moeten en mogen) te houden is aan de geheele rechtsbetrekking, welk behooren te houden naar de zijde van den debiteur het accent heeft op het behooren te moeten (n.1. te leveren) en voor den crediteur op het behooren te mogen (n.1. te ontvangen).

De spanning verdeelt zich zoo als de momenten van de plicht tot leveren (de schuld) en het recht op leveren (het vorderingsrecht). De rechtswetenschap legt dan ook de schuld en het vorderingsrecht als de twee „zijden" der verbintenis uitéén, en zij definieert daarom de verbintenis als de rechtsbetrekking tusschen twee partijen, waarvan de eene partij (de crediteur) gerechtigd en de andere partij (de debiteur) verplicht is tot de (bij het contract afgesproken) praestatie. Echter met het uiteenleggen der verbintenis in twee tegengestelde zijden, die wel is waar het tegenovergestelde van elkaar zijn, maar verder ieder voor zich zouden gelden, is de betrekking dezer twee zijden voor het begrip verdwenen.

Wel bedacht evenwel, houdt elk dezer twee „zijden" of „factoren", als moment der verbintenis, voor zich of als zich zelf de spanning, welke de verbintenis is, in. In het vorderingsrecht van den schuld-

*) Verbintenissen „om te doen" blijven hier buiten beschouwing.

Sluiten