Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

debiteur zijn wil over de zaak betoont door dezen wil van de zaak terug te nemen, terwijl meteen de crediteur zijn wil aan de zaak oplegt. De gemeenschappelijke wil van de partijen verbijzondert zich in de levering dus tot twee individueele wilsdaden, die uitvloeisel zijn van den gemeenen wil, die zich zelf splitst en opheft, en waardoor de individueele willen tot hun daden gerechtigd én verplicht zijn.

De individueele wil van den verkrijger, die zich van de zaak, welke de vervreemder laat varen, meester maakt (in bezit neemt), verkrijgt, daar dit bezit door den gemeenschappelijken wil gerechtigd is, met dit bezit meteen eigendom1). De gemeene wil der verbintenis geldt dus nog in de individueele willen op het moment, dat hij zich opheft. In de levering duurt de gemeene wil voort als de z.g. „zakelijke" overeenkomst van geven en nemen (cf. sub II), welke overeenkomst tevens inhoudt, dat de obligatoire overeenkomst wordt ontbonden, dat dus de gemeenschappelijke wil t. a. v. de zaak ontbonden wordt, door zich op te heffen tot voor den verkrijger individueel bezit met zelfstandigen, d. i. eigenaarswil, dat is tot eigendom. De gemeenschappelijke wil wilde individueele eigendomsverkrijging en — verhes; zich verwerkelijkend is dit dan ook meteen het geval; hij verdwijnt door zich te realiseer en.

Het uiterlijke bezit, dat tijdens de verbintenis nog bij dengeen was, die niet eigenaar wilde blijven (de vervreemder), is door de levering opgeheven en in overeenstemming met den gemeenen wil tot bezit en eigendom van den ander gemaakt. Dat dit behoorde te geschieden, was de inhoud van de verbintenis, beter: de verbintenis zelf, en het heeft zich te verwerkelijken als haar „selbstlose Folge".

Wij weten: de eigendom, als recht op bezit, is gerealiseerd heerschen mogen willen over de zaak. In de overdracht blijft de vervreemder dezen wil handhaven door zijn wil te laten varen, m. a. w. de leveringsdaad is gewilde zelfopheffing van den wil van den eigenaar; daarom ligt het in de rede. dat (in beginsel*)) slechts de eigenaar geldig kan leveren, al kan naar de uiterlijkheid de bezitter het (schijnbaar) doen.

Over het niet-nakomen der verbintenis, en in verband daarmede over „Schuld und Haftung" zou nog veel te zeggen zijn, wat ik thans echter onbesproken laat.

*) Cf. over bezit en eigendom mijn reeds genoemd artikel in Logos. *) Een bepaling als art. 2014 heeft voor den zelf niet vervreemd hebbenden eigenaar een accent van onrecht.

Sluiten