Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— —

integriteit van het Rijk; en aan den «anderen kant werd de oorlog voorgesteld als een strijd voor gerechtigheid en vrij* heid, voor het recht der kl^negpaties, voor beschaving en humaniteit. Soms gaan er stemBiïien op, die voor een vrede door overleg, zonder annexaties en schadeloosstellingen pleiten, maar ze worden verdoofd door de klinkende redevoeringen der machthebbers, die den oorlog willen voortzetten totdat eene volledige overwinning is behaald, welke aan den verslagen vijand de voorwaarden van den vrede oplegt. En men phantaseert, dat dan eene nieuwe periode zal aanbreken, waarin economische verdragen, staten- en volkenbonden, verplichte arbitrage en politiemacht een duurzamen vrede onder de volken zullen waarborgen.

Echter is niet alleen het recht van dezen oorlog in het geding gekomen, maar het geoorloofde van eiken oorlog is door den tegenwoordigen strijd weder met nadruk aan de orde gesteld. Daar zijn er ten allen tijde geweest, die inzonderheid van Christelijk standpunt den oorlog als wapen tot beslechting van geschillen hebben veroordeeld. Maar hun aantal is in dezen ontzettenden krijg belangrijk toegenomen, en vermeerderd met hen, die uit economische of humanitaire overwegingen aan den oorlog het bestaansrecht ontzeggen.

De althans schijnbare redeloosheid en doelloosheid van den huidigen krijg hebben velen tot nadenken gebracht en tal van vragen doen oprijzen in het hart. Is het recht en billijk, een geschil tusschen de volken door geweld van wapenen tot beslissing te brengen? Bestaat er eenige waarborg, dat bij zulk een geschil de macht zich scharen zal aan de zijde van het recht, of is er niet groote kans, dat de overwinning te beurt zal vallen aan hem, die over de beste legers en de deugdelijkste wapenen beschikt? Moet de oorlog op dien grond niet evenzeer veroordeeld worden als het duel, dat menigmaal ten nadeele van den onschuldige uitvalt en onlangs nog door Keizer Karei van Oostenrijk bij resolutie van 4 Nov. 1917 als in strijd met Gods geboden in zijn leger afgeschaft werd? Is het in dezen tijd nog te rechtvaardigen, dat enkele personen de macht bezitten, om zonder raadpleging van het volk den oorlog te verklaren en een stroom van ellende over hunne onderdanen uit te storten? En moeten de burgers des lands dan maar stilzwijgend gehoorzamen en naar het front gaan, ook als ze misschien van het onrecht van den oorlog in hunne consciëntie overtuigd zijn ?

De dienstweigeraars vormen nog een klein getal, maar onmiskenbaar' neemt de weerzin tegen den oorlog onder de burgers en in de legers toe. Het zijn thans ook geene huur-

Sluiten