Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwen achtereenvolgens de kluizenaar, de monnik, de bedelmonnik, de zelfkweller en de geeselaar als de ware navolgers van Christus beschouwd; en deze navolging werd hoe langer hoe meer uitwendig, als eene nabootsing opgevat. In de 13' en 14e eeuw verschenen er een groot aantal Levens van Jezus, die den aandachtigen lezer in staat stelden, om het leven van Jezus, inzonderheid in de lijdensweek, van schrede tot schrede te volgen, en er eigen leven naar in te richten. Kerstvörmigheid was toen het levensideaal van den vrome, en kwam bij velen op eene nabootsing neer; sommigen trachtten het leven en lijden van Jezus in contemplatie zelf te doorleven, anderen deden Jezus na, wandelden met gebogen hoofd en neergeslagen oogen, geeselden zich als Jezus gegeeseld werd enz. Uit deze kringen kwam ook het boekske van Thomas a Kempis over de navolging van Christus voort. Ofschoon het in vele opzichten voortreffelijk mag heeten, wijl het de navolging van Christus niet uitwendig, als nabootsing opvat, maar innerlijk en geestelijk, als beoefening der deugden van ootmoed, nederigheid, zachtmoedigheid, f lijdzaamheid enz., lijdt het toch aan eene groote eenzijdigheid, aan wereldverachting en miskenning van des menschen I aardsche levenstaak. .

De Reformatie heeft dit ascetisch .ideaal toen wel prinI cipiëel overwonnen, maar verwante stemmingen en neigingen 1 kwamen toch herhaaldelijk ook in de Protestantsche kerken I voor. Men denke slechts aan het Anabaptisme, het Pietisme, L het Hernhuttisme, het Methodisme enz,, en aan de houding, welke vele stille vromen tegenover de wereld aannemen. Daar zijn nog vele oprechte en eenvoudige Christenen, die de gemeente liefst hooren toespreken als wormpje Jakobsen volkske Israels, die de wereld een tranendal noemen en zichzelven als vreemdelingen en pelgrims beschouwen. Zij volbrengen hun plicht, zijn trouw in hun beroep, maar zij hebben geen vreugde in het leven, genieten niet van de schoonheid der natuur, en zijn onverschillig voor de ontdekkingen der wetenschap, voor de scheppingen der kunst en de wonderen der techniek. Zij klagen voortdurend over de ellende, en brengen het nooit tot de blijmoedigheid des geloofs.

Maar opmerkelijk is, dat soortgelijke stemming na het midden der vorige eeuw ook in de beschaafde kringen opkwam, toen de cultuur met reuzenschreden vooruitging en heel de natuur scheen te onderwerpen aan de heerschappij van den mensch. Want deze cultuur bevredigde niet; zij liet het hart onvoldaan. Het pessimisme van Schopennauer en von Hartmann, aan dat van het Buddhisme verwant,

Sluiten