Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dadige wijze genas, gingen vele scharen tot Hem uit, zoodra Hij ergens vertoefde, in eene stad of vlek, in eene synagoge of in eene woning, in de woestijn of aan de zee. Van alle kanten kwamen ze tot Hem, van Galilea en Judea en Idumea en van over den Jordaan; overal werd Hij door eene groote menigte gevolgd, Mark. 3 : 7. Maar dit volgen duurde slechts kort: in de verschillende dorpen én steden maakte de eene schare weer voor de andere plaats. In onderscheiding van deze wisselende menigte vergaderde Jezus, evenals de rabbi's van zijn tijd, ook discipelen om zich heen, die Hem bestendig vergezelden en voortdurend bij Hem bleven; onder dezen vormden de twaalf apostelen nog weer eene kleinere, allernauwst aan Hem verbonden groep.

Dit volgen van Jezus kreeg voor de discipelen allengs een veel dieper zin, dan voor de menigte, die zich telkens om Hem verdrong en Hem menigmaal alleen volgde, omdat zij van de brooden gegeten had en verzadigd was. Joh. 6 : 26. Ten eerste toch liet Hij in vele gevallen de keuze, om Hem te volgen, niet vrij, maar trad Hij terstond met een gebiedenden eisch: op, dat men Hem volgen moest. Met name handelde Hij zoo ten opzichte van de twaalf discipelen, die Hij verkoor en aanstelde, opdat zij met Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken. Mark. 3 : 14. Maar ook buiten dezen kring richtte Hij soms tot dezen of genen het bevel, om Hem te volgen, Matth. 8:20, 19: 16; en zelfs liet Hij in het algemeen den eisch hooren, dat wie zijn discipel wilde zijn, Hem volgen moest, Matth. 10 : 38, 16 : 24.

Deze eisch was te ernstiger, wijl spoedig bleek, dat het volgen van Jezus niets minder dan volstrekte zelfverloochening insloot. Naarmate Jezus met zijne prediking van het Evangelie des koninkrijks bij de Parizeen en hunne volgelingen ergernis wekte en door de oversten en de leidslieden des volks gehaat en tegengestaan werd, werd het hoe langer hoe duidelijker, dat aan het discipelschap van Christus de smaad der wereld verbonden was. Jezus sprak dit ook onomwonden uit. Wie zijn discipel wilde zijn, moest zichzelven verloochenen, zijn kruis opnemen en Hem volgen; wie vader of moeder, zoon of dochter boven Hem liefhad, was Zijns niet waardig; om Zijnentwil, om des Evangelies wil moest alles verlaten en prijsgegeven worden, tot zelfs het eigen leven toe, Matth. 10 : 16—42, 16 : 24—26. In den eisch, dien Jezus aan den rijken jongeling, Matth. 19 : 21 en aan de drie personen in Luk. 9 : 57—62 stelde, komt zoo duidelijk mogelijk uit, dat dé mensch, 'die in waarheid Jezus volgen wil, alles, ook het liefste en dierbaarste, prijsgeven moet.

Sluiten