Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2°. Op dezen Oudtestamentischen grondslag rust heel het Nieuwe Testament, met name ook het ethisch onderwijs van Christus. Telkens beroept Hij zich met een: er is geschreven, op de Schrift des Ouden Verbonds, Matth. 4 : 4, 7, 10, 11 : 10, 21 : 13 enz.; zonder voorbehoud erkent Hij haar gezag, inzonderheid in haar getuigenis aangaande Zijn persoon en werk, Luk. 16 : 31, 26 : 44, Joh. 5 : 39, 46, 10 : 35, 19 : 28 enz.; nergens stelt Hij zich buiten of boven hare autoriteit. Gelijk Hij geen anderen God predikte, dan den God van Abraham, Izak en Jakob, zoo erkende Hij ook geene andere zedewet, dan die in het Oude Testament was vervat en begrepen was in de twee geboden van liefde tot God en den naaste, aan welke de gansche wet en de profeten hangen, als de deur in hare hengsels, Matth. 22 : 37—40, 19 : 18, 19, Mark. 12 : 19—31. In de Bergrede verklaart Jezus dan ook uitdrukkelijk, dat Hij niet gekomen is, om de wet en de profeten te ontbinden, maar om die te vervullen, d. i. om aan de woorden van wet en profetie dien inhoud in de werkelijkheid te geven, dien zij zeiven eischen of voorspellen.

Er kan dus geene sprake van zijn, dat Jezus in de Bergrede, zooals Marcion en na hem vele anderen beweerden, als een nieuwe wetgever optreedt en de zedewet des Ouden Testaments met nieuwe en volmaaktere geboden aanvult. Heel de strekking der rede verzet zich daartegen. Immers, Jezus begint eerst in het algemeen zalig te spreken degenen, die in waarheid zijne discipelen zijn, de geestelijk armen, de treurenden, de zachtmoedigen enz. Nadat hij dit blijde en vertroostende Evangelie in acht makarismen, Matth. 5" : *3—10, verkondigd en ontvouwd heeft, spreekt Hij in vers 11 zijn jongeren rechtstreeks aan, past de zaligspreking •op hen toe, vs. 11, 12, maar roept Hij hen ook tot de gewichtige en verhevene taak, om het zout der aarde en het licht der wereld te zijn, en hun licht alzoo voor de menschen te laten schijnen, dat zij de goede werken der discipelen mochten zien, en den Vader, die in de hemelen is, verheerlijken, vs. 13—17. Van die goede werken zijn de wet en de profeten, welke Jezus niet kwam ontbinden maar vervullen, de maatstaf.

Maar dan moeten &y de discipelen die wet en profeten goed verstaan, anders dan zij vroeger, voordat Jezus hun meester was, van de Schriftgeleerden en de Farizeën geleerd hadden. Dezen hadden hen n.1. onderwezen, dat tot de ouden, d.i. tot de vaderen, gezegd was geworden: gij zult niet dooden, maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn voor het gericht,

Sluiten