Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vers 21 enz. De Schriftgeleerden en de Farizeën haalden in hun onderwijs niet alleen de letterlijke woorden der wet aan, maar ze verbonden er ook eene opvatting en uitlegging mede, die de beteekenis der wet verzwakte, die met eene mindere en onvolkomener gerechtigheid zicla? tevreden stelde, dan God in het Oude Testament eischte, vers 20, en alzoo Gods gebod krachteloos maakte door menschelijke inzettingen, Matth. 15 : 1—9, Mark. 7 : 13. Nu worden wel is waar die verkeerde uitleggingen, welke de Schriftgeleerden aan de woorden der wet gaven, er niet altijd, zooals in vs. 21, bijgevoegd, n.lf niet in vs. 27, 31, 33, 38, en volstaat Jezus met het aangeven in woorden der wet van het zedelijk thema, dat Hij bespreken wil; maar er is toch geen twijfel aan, dat Hij dan toch niet de woorden der wet, maar de verkeerde uitlegging der Schriftgeleerden bestrijdt. Immers, Hij zegt nooit, dat in de wet geschreven staat, zooals Hij elders geregeld doet, maar steeds, dat de discipelen van de Schriftgeleerden gehoord hebben, dat tot de vaderen gezegd werd. En tegenover dat onderwijs der Schriftgeleerden stelt Jezus telkenmale zijn: voorwaar, Ik zeg u. Hij leerde, zooals de schare gevoelde, Matth. 7 : £9, als machthebbende, en keerde van de geboden der menschen tot het woord Gods terug.

Ten slotte moet men tot recht verstand der Bergrede ook in het oog houden, tot wie en in welke omstandigheden Jezus deze rede houdt. Uit Matth. 4 : 25 in verband met 7 : 28 blijkt, dat ze door eene groote schare aangehoord werd, maar ze was toch speciaal tot zijne discipelen gericht; zij waren het, die volgens Matth. 5 : 1 en 2 tot Hem kwamen en door Hem geleerd werden. De inhoud der rede komt hiermede geheel overeen. Jezus houdt niet eene rede voor het volk van Israël, voor de grooten en de aanzienlijken, maar voor de betrekkelijk kleine schare van zijne discipelen. En dezen werden niet aangetroffen onder de hoogere standen der maatschappij, maar behoorden tot de geringen en onaanzienlijken in -den lande. Ze worden door Jezus niet voorgesteld als armen, die gebrek lijden, evenmin als Hij zichzelf daartoe rekent, als Hij zegt, dat de Zoon des menschen niet heeft, waar Hij het hoofd nederlegge, Matth. 8 : 20; m.£#r zijne discipelen zijn toch meest afkomstig uit den kring van mannen en vrouwen, die in het Oude Testament als de zachtmoedigen, de verdrukten, de eenzamen, de ellendigen worden aangeduid, Ps. 10 : 2, 9, 12, 17, 22 : 25,27, 25:9, 16 enz. Tot de vermoeiden en beladenen, die zuchtten onder het harde juk der wet, dat de Schriftgeleerden en de Farizeën van het gebod Gods hadden gemaakt, Matth. 23 : 4,

Sluiten