Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luk. 11 : 46, Hand. 15 : 10, richtte Jezus de uitnoodiging, om tot Hem te komen en bij Hem rust te vinden, Matth. 11 : 28. En als zij aan deze uitnoodiging gehoor gaven en zich bij Jezus' discipelen voegden, dan nam de smaad, de laster en de vervolging, waaraan zij om Zijnentwil blootstonden, nog toe, Matth. 5:11. In de wereld zouden zij verdrukking hebben, Joh. 16 : 33; bij de rechters was voor hen geen recht te verkrijgen: de oversten en de grooten doen hunne heerschappij over de volken rusten op onderdrukking en geweld, Matth. 20 : 25.

Indien men dit alles in het oog houdt, is het gemakkelijk te begrijpen, dat Jezus in de Bergrede die deugden aanprijst, welke zijne discipelen in zulke omstandigheden vóór alle dingen te beoefenen hadden. Het ware ongepast geweest, aan deze menschen eene zoogenaamde cultuurtaak op te dragen, hen op te roepen tot beoefening van wetenschap en kunst, tot verzameling van aardsche schatten, tot het drijven van nijverheid en handel. Daartoe was Jezus zelf niet in de wereld gekomen; Hij kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen, en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen ; en in deze dienende liefde moesten zijne discipelen Hem volgen, Matth. 20 : 26—£8. Daarom vermaant Hij hen in de Bergrede, om niet op de wijze der Schriftgeleerden den eisch der gerechtigheid te verzwakken, maar dien ten volle te erkennen en te handhaven, het koninkrijk Gods en de gerechtigheid Gods vóór alles te zoeken, volmaakt te zijn als hun Vader in de hemelen; en dienovereenkomstig vergevensgezind te zijn, Matth. 5 ; 21—26, rein van hart en wandel buiten en in het huwelijk, 5 : 27—32, oprecht en trouw in het woord, 5 : 33—37, toegefelijk en liefderijk jegens den vijand, 5 : 39—44 enz. In één woord, de discipelen van Jezus kunnen door hun macht en aanzien geen invloed oefenen op de wereld, maar zij moeten in hunne goede werken hun licht laten schijnen voor de menschen, en zullen dezen daardoor bewegen, om hunnen Vader in de hemelen te verheerlijken, Matth. 5 : 16, Joh. 15 : 8.

Op deze wijze behoeft aan de woorden van Jezus noch naar de eene noch naar de andere zijde geweld te worden aangedaan. Want het gaat eenerzijds niet aan, om deze woorden zoo te vergeestelijken, dat zij het tegendeel bedoelen van wat er eigenlijk staat; het is niet waar, dat Jezus in de Bergrede alleen op de gezindheid let en het andere van mindere beteekenis acht. Hij spreekt zelfs met geen woord van de gezindheid des harten, al ligt die in Zijne geboden opgesloten ; maar Hij handelt van het begin tot het einde over

Sluiten