Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

concrete daden en houdt die aan Zijne discipelen ten voorbeeld voor oogen. Maar aan den anderen kant mag men toch de woorden niet pressen, want Jezus stelt die concrete daden, die Hij door Zijne jongeren nagevolgd wil zien, toch voor in den vorm van beelden, welke niemand letterlijk opvatten en toepassen kan. Dat geldt niet alleen van het uittrekken van het oog en het afhouwen van de hand, vs. 29, 30, maar ook van het wederstaan van den booze, van het toekeeren der linkerwang aan wie op de rechter slaat, enz. vs. 39—42, evenals ook van de voetwassching, Joh. 13 : 14. Maar ofschoon niet letterlijk, al deze voorbeelden zijn toch wel concreet en practisch te verstaan. Jezus verbiedt in de Bergrede aan Zijne discipelen wel terdege, om met den wederpartijder naar het gerecht te gaan, om kwaad met kwaad te vergelden, om weerwraak te oefenen, om den vijand te haten, om te zweren, om eene vrouw met begeerlijkheid aan te zien, enz. In dit alles meent Jezus, wat Hij zegt; Hij drukt zich niet anders uit, dan Hij bedoelt. Hij eischt, dat Zijne discipelen niet alleen zoo gezind zullen zijn, als Hij zegt, maar dat zij zich zoo ook zullen gedragen en zoo zullen doen. De Bergrede eindigt dan ook met de waarschuwing, dat niet ieder, die Jezus als Heere, Heere aanspreekt, én niet ieder, die in Zijn naam profeteert en duivelen uitwerpt, in het koninkrijk der hemelen zal ingaan, maar die daar doet den wil des Vaders, die in de hemelen is. Een iegelijk, die Jezus' woorden hoort en doet, vergelijkt Hij bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft, . Matth. 7 : 21 v. 25 : 34 v.

3.

Deze uitlegging wordt bevestigd door geheel het Nieuwe Testament. De gemeente bestond in de eerste eeuw hoofdzakelijk uit geringen en eenvoudigen naar de wereld. Wat Paulus van de gemeente te Corinthe schrijft, 1 Cor. 1 : 26—28, gold zonder twijfel van alle of de meeste gemeenten in den aoostolischen tijd. Er waren zeker ook enkele aanzienlijken bij, Joh. 3:1. 19 : 38, Hand. 4 : 37. 5 : 1, 10 : 1, Phil. 4 : 22, voorname vrouwen, Hand. 16 : 14, 17 : 4, 12, rijke heeren en kooplieden, Jak. 1 : 10, 2 : 1 v., 4 : 13, 1 Tim. 2 ; 9, 6:17, Openb. 3:17; maar het mèerendeel kon niet gerekend worden tot de wijzen naar het vleesch, tot de machtigen en de edelen; veeleer had God het dwaze en zwakke, het onedele en verachte der wereld uitverkoren, dm de wijzen en sterken te beschamen en, die iets waren, te

Sluiten