Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verg. Matth. 19 : 12, Hand. 21 : 4, Openb. 14 : 4.

Uit heel de houding, welke de discipelen van Jezus in de eerste eeuw aannamen en aannemen moesten tegenover de wereld, blijkt ten duidelijkste, dat de moraal van het Nieuwe Testament geschreven werd van het standpunt van de onderdrukte en vervolgde gemeente van Christus. Ook hierin komt het Nieuwe Testament met het Oude overeen. De wet van Mozes onderstelt de eeuwenlange dienstbaarheid van het volk van Israël in Egypte en brengt deze telkens weer in herinnering. Ze dient als motief, om barmhartigheid te bewijzen aan de ellendigen. De kinderen Israels zijn vreemdelingen en dienstknechten geweest in Egypte; zij kennen het gemoed des vreemdelings, daarom zullen zij den vreemdeling, die in hunne poorten is, evenals ook de weduwe en den wees, den dienstknecht en de dienstmaagd, niet onderdrukken, maar liefhebben en weldoen. Ex. 22: 21 v., 23 : 9, Lev. 19 : 33, 34. Deut. 10 : 18, 19, 16 : 11, 12, 24 : 19-22 enz. Op dezelfde wijze neemt het Nieuwe Testament het op voor de sociaal en politiek verongelijkten, voor de verdrukten en vervolgden, voor de hulpeloózen en nooddruftigen. De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld, Jak. 1 : 27, verg. Matth. 5 : 3 v., 25 : 34 v. Christus heeft ons bezocht met de innerlijke bewegingen der barmhartigheid Gods, en daarom heeft ook zijne gemeente barmhartigheid te bewijzen aan alle lijdenden in deze wereld, Luk. 1 : 78, Matth. 5 : 7, 9 : 13, 12 : 7, Luk. 6 : 36 enz.

Dit standpunt kon de gemeente te lichter innemen, wijl zij leefde in de verwachting, dat de wederkomst van Christus aanstaande was; het tegenwoordig geslacht'zou haar misschien nog beleven, 1 Thess. 4 : 15, 1 Cor. 15 : 51; de tijd was dus kort, het was de laatste ure, 1 Cor. 7 : 29, 1 Joh. 2 : 8, Openb. 1:3; men moest alles bezitten als niet bezittende, 1 Cor. 7 : 29—31, zich oefenen tot godzaligheid, 1 Tim. 4 : 7, met het oog op de nabije toekomst des Heeren nuchter en waakzaam zijn, volharden in bidden en vasten, 1 Thess. 5 : 6, 1 Petr. 4 i 7, Col, 4 : 2, en voorts bij de godzaligheid voegen broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen, 1 Petr. 1 : 7. En door deze deugden heeft de gemeente van Christus inderdaad in de eerste en tweede eeuw een machtigen invloed op de wereld geoefend, en haar in waarheid overwonnen door het kruis, gelijk God door dat kruis alleen over de overheden en machten heeft getriumfeerd, Col. 2 : 15.

Sluiten