Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4.

Maar toen de gemeente zoover gekomen was, moest zij tegenover die wereld ook eene andere houding aannemen; zij kon met de beoefening der negatieve en passieve deugden niet meer volstaan, maar kreeg thans tot taak, om de wereld naar de beginselen des Christendoms te hervormen en te vernieuwen. Ook hiervoor waren de lijnen voor haar aangewezen in het onderwijs van Jezus en de apostelen. Want al staan, wegens den nood der tijden, de vermaningen tot liefde en lijdzaamheid in dat onderwijs op den voorgrond; de positieve gegevens ontbreken toch niet, ze liggen reeds opgesloten in de centrale feiten van het Christendom.

Ten eerste komt hiervoor in aanmerking de vleeschwording des Woords, want deze was een bewijs van de genade des Zoons en van de liefde des Vaders. En die liefde strekte zich tot de geheele wereld, tot de gansche schepping uit, die immers in haar oorsprong goed was, geheel en al een werk Gods, niet alleen in haar geestelijk, maar ook in haar stoffelijk bestaan. Gen. til. Joh. 1:3, 3: 16. Christus kwam dan ook niet, om de wereld te veroordeelen, maar om ze te behouden, juist door in haar de werken des duivels te verbreken, Joh. 3 : 17, 9 : 39, 12 : 47, 1 Joh. 3 : 8. Ten tweede staat deze liefde in de Christelijke religie •niet, als in het Buddhisme, tegenover het recht, maar zij neemt dit als het ware in zich op; in den weg der genade handhaaft God zijne gerechtigheid; het kruis is beide, openbaring van de hoogste liefde en van het strengste recht, vervulling van wet en evangelie tegelijk, Rom. 3 : 25, 26. Ten derde is daarom de dood van Christus door zijne opstanding, zijne vernedering door de verhooging gevolgd; wijl Hij der zonde stierf, kon Hij door den dood niet gehouden worden, maar leeft Hij Gode eeuwiglijk, Rom. 6 : 10, Phil. 2 : 9. Doch hierin ligt voor al de zijnen ook de profetie en de waarborg, dat zij, indien ze met Christus gestorven zijn, ook met Hem leven zullen, hier reeds in beginsel, en straks bij de opstanding naar ziel en lichaam beide in volmaakte heerlijkheid, Rom. 5 : 17, 6 : 8, 2 Tim. 2 i 11. Als de geloovigen dus hier op aarde tijdelijk van hun recht afstand doen en stil en lijdzaam dragen het onrecht, dat hun aangedaan wordt, dan geschiedt dit niet uit minachting van het recht, maar omdat zij hunne zaak aan God toevertrouwen, voor wien het recht is, om verdrukking te vergelden aan degenen, die hen nu verdrukken, daarentegen verkwikking en vergelding der erfenis aan hen, die thans verdrukt worden,

Sluiten