Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

monsters, die Tiamat daartoe heeft gevormd. Geen der jongere goden vpelt zich tegen deze monsters opgewassen, tot eindelijk Mardoek, een zoon van Ea, op zich neemt hen daarvan te verlossen, op voorwaarde dat hij als oppergod wordt erkend. Nadat hij zijne macht door het doen verdwijnen en weer verschijnen van een kleed heeft bewezen wordt zijn aanbod aanvaard. Mardoek weet nu Tiamat in een net te verstrikken, een wind in haren geopenden muil te drijven, en haar met zijn speer te doorboren. Dan splijt hij haar lichaam in twee deelen en gebruikt de eene helft om den hemel te overwelven; verder wordt beschreven hoe hij de hemellichamen vormt en den loop der sterren regelt, terwijl dan nog een fragment spreekt van de schepping der menschen. Men ziet, de overeenkomst met het Bijbelsch scheppingsverhaal is niet bijster groot. Van meer belang is dan ook de Perzische overlevering, volgens welke Ormoezd, de goede god, de lichtgod, in zes scheppingsperioden van duizend jaar elk, de wereld heeft geschapen, en wel in deze volgorde: hemel en licht, water, de aarde, de boomen, de dieren die alle van één stier afstammen, en eindelijk de menschen als nakomelingen van den oer-mensch Gayomart. Van ingrijpende beteekenis is echter dat tegenover deze lichtschepping eene andere schepping staat, namelijk van den boozen god, den god der duisternis, Ahriman, en dat de lichtwereld door deze wereld der duisternis voortdurend wordt bestreden en bedreigd. Qrmoezd en Ahriman worden daarbij elk door een aantal door hen geschapen lagere goden omringd en bijgestaan. Opmerking verdient nog dat de verdeeling van het scheppingswerk in zes perioden eerst in de latere litteratuur voorkomt, waarbij conformeering aan het Bijbelserie scheppingsverhaal niet is uitgesloten, alsmede dat de volgorde daarvan niet immer dezelfde is. Nog nauwer bij de H. Schrift sluit zich aan de scheppingsoverlevering der Etruriërs, dat de Demiurg of Wereldschepper aan de wereld twaalf duizendtallen van jaren als levensduur heeft toegemeten ; daarvan werden zes duizendtallen ingenomen door de schepping zelf, het eerste voor den hemel en de aarde, het tweede voor het firmament, het derde voor zee en stroomen, het vierde voor zon en maan, het vijfde voor de dieren en het zesde voor den mensch. Deze overlevering kennen we echter alleen door eene mededeeling van Suidas, een Grieksch

Sluiten