Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijver uit de 10e eeuw na Christus, die wel beweert uit het geschiedboek der Etruriërs zelf te hebben geput, maar de vraag is niet ongewettigd of hij daarin volkomen vertrouwen verdient, en of hij in elk geval niet zijne mededeeling, zoo deze een kern van waarheid bevat, in sterke mate door de Schriftuurlijke voorstelling heeft laten beïnvloeden.

Van het scheppingsverhaal gaan we over tot de Paradijsgeschiedenis. We houden ons nipt op bij verschillende ondergeschikte bizonderheden, waarvoor men parallellen meent te kunnen aanwijzen, zooals de boom des levens, en de Cherubs, of ook de hof van Eden zelf, maar komen aanstonds tot de hoofdvraag of er voor de geschiedenis van den zondeval ook eenige analogie is aan te wijzen. Nu wordt dit door de meeste gezaghebbende beoefenaren der Godsdienstgeschiedenis nog steeds ontkend. Weliswaar kan men wijzen op de herinnering aan een gouden tijd, een periode van geluk welke aan het huidige droeve bestaan is voorafgegaan. Ook kan men onderscheidene voorbeelden aanvoeren van sagen die tot onderwerp hebben hoe de een of andere mensch die zich in de bizondere gunst der goden mocht verheugen deze door eigen schuld verbeurde, zooals in het Grieksche verhaal van Tantalus, die wel bij de goden op bezoek mocht komen en van hen in zijn huis bezoek ontving, maar, overmoedig geworden, hen op het vleesch van zijn eigen zoon onthalen wilde en tot straf daarvoor in de onderwereld tot aan zijn hals in het water moest staan, met een tak van de kostelijkste vruchten vlak boven zijn hoofd, terwijl als hij drinken wilde het water wegzonk en als hij de vruchten plukken wilde de tak omhoog rees zoodat hij ze niet bereiken kon; vanwaar wij nog de spreekwijze van een „Tantalus-kwelling" hebben. Maar men moet erkennen dat daarmede toch nog geen eigenlijke parallel van den zondeval gegeven is. Indertijd hebben sommige geleerden gemeend een afbeelding van de Paradijsgeschiedenis op een Babylonischen zegelcilinder te hebben gevonden; immers men ziet daarop een boom, twee menschelijke gedaanten en een slang. Al spoedig bleek echter dat men zich deerlijk had vergist. Een der figuren draagt de van hoornen voorziene hoofdbedekking die bij de Babyloniërs het uitsluitend embleem der goden is, waaruit valt af te leiden dat we hier niet met menschen maar met goden te doen hebben en de verklaring die tegenwoordig de meest

Sluiten