Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkte goden moeten beschouwd worden, waarvoor zoowel uit Babel als uit Egypte en Arabië parallellen werden gezocht, moeten namelijk hoe langs zoo meer plaats maken voor de erkentenis dat zij inderdaad historische personen zijn geweest. Nog neemt men wel aan dat zich rondom de historische traditie allerlei sagen hebben vastgezet; maar hoe verder de erkentenis der historiciteit van de aartsvaders voortschrijdt, des te minder belangstelling vindt het pogen om voor hunne geschiedenissen analogieën uit het religieuze overleveringsmateriaal van andere volken bij te brengen.

We stappen dus aanstonds over naar Israël's grooten wetgever, Mozes, wiens evenknie men meent te hebben gevonden in den Babylonischen koning Chammoerapi, uit de twintigste eeuw voor Christus, en van wien men een uitvoerig wetboek in niet minder dan 282 paragrafen heeft teruggevonden op een 2.25 M. hooge zuil van zwart dioriet. Niet alleen toch acht men in deze oud-Babylonische wetgeving de meest treffende overeenkomst te kunnen aanwijzen met de van Godswege door Mozes aan Israël gegeven geboden, maar ook het feit zelve dat de wetgeving tot Goddelijke openbaring wordt teruggebracht meent men evenzeer bij Chammoerapi als bij Mozes te kunnen opmerken. Om met dit laatste te beginnen, de Babylonische koning spreekt in den tekst zijner wetten van zulk eene goddelijke openbaring niet éénmaal. Integendeel, zoowel in den aanhef als aan het slot is het louter een roemen op eigen voortreffelijkheid en wijsheid. „Mijne woorden zijn wel overlegd, mijne wijsheid heeft haar gelijke niet," zoo laat hij zich hooren. De grond waarom men aan Chammoerapi's wetten een goddelijken oorsprong toeschrijft is dan ook uitsluitend gelegen in eene afbeelding die aan den top der zuil in. bas-relief den koning nevens den zonnegod voorstelt. Men verklaart deze afbeelding zoo, dat bier de koning zijne wetten uit handen van dien god ontvangt. Het is echter moeilijk aan te nemen dat deze verklaring juist zou zijn, vermits er in den tekst met geen enkel woord van wordt gerept, en deze bovendien de wijsheid van den vorst zelf zoozeer verheft. Trouwens in dien tekst schijnt ook wel een spoor te vinden dat ons tot de juiste verklaring der samenvoeging van Chammoerapi en den zonnegod voert. We lezen daar namelijk dat de koning zich door de goden geroepen

Sluiten