Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Messiaansche heilsbelofte. Dit punt mogen wij.dus hier laten rusten. Maar ook van de belijdenis: „Hoor, Israël, de Heere onze God is een eenig Heere" (Deut. 6 : 4) heeft men analogieën onder de volken meenen te vinden. Het monotheïsme, zooals men dat noemt, zou niet, gelijk men lang dacht, alleen bij Israël maar ook elders gehuldigd worden. Men wijst er op dat niet alleen in Babel, maar ook bij de Kanaanieten sprake is van een „heer der goden", Waarin, gelijk men toegeeft, nog wel niet meer ligt dan de verheffing van één god boven andere, maar waarin men toch reeds eene monotheïseerende neiging ziet. Men herinnert aan het optreden van den Egyptischen koning Amenhotep IV die in zijn rijk de uitsluitende vereering van één nieuwen god, Aton, d. i. de zonneschijf, naar wien hij zichzelf noemt Choen-Aton (glans der zon), tracht door te zetten, en daarbij zelfs voor godsdienstvervolging niet terugdeinst. Men brengt ook uit Babel tal van uitingen saam waarin op eene zoodanige wijze over het aanbidden van één enkelen God gesproken wordt, dat we ze gaarne naast uitspraken des Ouden Testaments leggen zouden. Nu behoeft het zeker geen verwondering te baren, indien we bij de volken zekere sporen van de overtuiging aantreffen dat er toch eigenlijk maar één God wezen kan. God zelf heeft het besef van Zijn bestaan in de ziel van den mensch ingeschapen, en dat besef moge in het polytheïsme of veelgodendom op de jammerlijkste wijze zijn verbasterd, er kan zeker toch nog wel iets van de in dit Godsbesef inhaerente waarheid doorschemeren, dat er slechts één God is. En het is dan ook opvallend hoe de Vergelijkende Godsdienstwetenschap in dezen hoegenaamd geen steun geeft aan de vroegere theorieën alsof het Godsbegrip zich allengs uit zekere allerlaagste voorstellingen tot steeds hooger vorm zou hebben ontwikkeld, en uit het veelgodendom eindelijk het monotheïsme zou zijn ontstaan. Breede historische onderzoekingen van de onderscheidene religies hebben geleerd dat deze in hun ontwikkelingsgang immer het type van verval en verbastering vertoonen. Wanneer men zoo ver mogelijk in het verleden teruggaat, ontdekt men niet steeds, gelijk volgens de vroegere Evolutie-theorieën het geval zou moeten wezen, een veel lageren trap van religieus inzicht, maar wordt tot zijn verrassing gewaar dat het godsdienstig besef menigmaal veel hooger staat dan in later tijd. En met name wat

Sluiten