Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

menschen eene schrikkelijke toeneming der zonde wordt geteekend (vs. 3, 5), iets wat toch kwalijk het geval zou kunnen zijn indien aan wezens van goddelijken oorsprong te denken ware. Weder een anderen grond zoekt men in de plaatsen Ex. 21 : 6 en 22 : 8, 9, waar sprake is van gerechtshandelingen die voor de „goden" moeten plaats hebben. Men meent dat daaronder huisgoden te verstaan zijn. Naar Ps. 82 : 1, 6 is echter aan een benaming der overheidspersonen te denken. Nog wijst men op de uitdrukking „God der goden" (Joz. 22 : 22 enz.), die echter niet anders is te beschouwen dan als eene omschrijving van den overtreffenden trap, welke in het Hebreeuwsch ontbreekt: hoog verhevene God, en dus in geenen deele de erkenning der realiteit van andere goden insluit. Eindelijk is zelfs gezegd, dat de Heere, de God Israël's, in sommige wetsvoorschriften het eerbiedigen van andere goden uitdrukkelijk voorschrijft. Ware dit juist — het is Prof. Eerdmans die het beweert — dan zou daarmee zeker het pleit zijn beslist. Doch laat ons zien. Er zijn een aantal wetsvoorschriften, die men zou kunnen aanduiden als waarborgen tegen de schending der humaniteit: men mag een doove niet vloeken, aan een blinde geen hindernis in den weg leggen, enz., en deze alle gaan verzeld van de motiveering: „want gij zult eerbied hebben voor uwen God" (Lev. 19 : 14, enz.). Nu wordt hiermee — zoo oordeelt de bekende Leidsche hoogleeraar — niet de God van Israël, maar de persoonlijke beschermgod van den mensch bedoeld. Waar echter op het „gij zult voor uwen God vreezen" onmiddellijk volgt: „ik ben de Heere 1", zullen niet velen geneigd zijn die beide als twee verschillende goden te onderscheiden, en dit te minder als in Lev. 25 : 17 bij eene soortgelijke bepaling („dat dan niemand zijnen naaste verdrukke") te lezen staat: „maar vreest voor uwen God, want ik ben de Heere uw God", en dus het laatste klaarblijkelijk een nadere verklaring bevat van het voorafgaande „uwen God".

De Animistische voorstelling van eene alles doordringende ziel es tof, die in bepaalde dingen in meerdere of mindere mate kan opgehoopt zijn, of ook zich uitwendig aan zekere voorwerpen kan hechten, wil men vinden in verschillende spreekwijzen omtrent den Geest Gods, b.v. waar van dezen Geest gezegd wordt dat deze over iemand „vaardig wordt" (letter-

Sluiten