Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■ In Frankrijk, waar het Marxisme nog altijd geen vasten bodem vond. In Engeland, waar de arbeidersklasse zonder theorie handelt naar het toeval der gelegenheid.

Of in Holland, waar een geheele partij jaren lang handelt naar den wil van, waar het zwakke proletariaat gevallen is in handen van één man, die, belachelijk schouwspel!, de geweldigste wereldbewegingen meet naar den maatstaf van zijn geringe persoonlijke eerzucht.

Het zijn dus ook de Radikalen, of de zoogenaamde Marxisten, die het Proletariaat tot de zwakheid hebben gebracht, waarvan wij nu getuigen waren.

Zij zijn, naast de onkunde der Arbeiders en het Reformisme, mede de oorzaak, dat de Arbeiders niets hebben gedaan, maar zich hebben overgegeven aan het Imperialisme.

Zij zijn mede de schuld van het Nationalisme en Chauvinisme der massa.

Zij zijn dus ook' mede verantwoordelijk voor al wat na den oorlog gebeurt, of gebeuren kan : de verscheuring van het Proletariaat, zijn verzwakking als strijdende klasse, zijn misschien voor jaren ondergang.2)

Samenvattend kunnen wij dus zeggen, dat Reformisme en Radikalisme, d. w. z. dus de binnenlandsche politiek der sociaaldemokratische partijen, de oorzaak zijn van de machteloosheid van het proletariaat bij dezen oorlog.

') Er bestaan in Duitschland partijgenooten, die in de praktijk Marxisten zijn gebleven. Een groep van 17 Rijksdagleden was tegen het toestaan der oorlogscredieten op den 4en Augustus 1914, waagde het evenwel niet dit in den Rijksdag te doen blijken. — Wij noemen verder slechts Mehring, Rosa Luxemburg, Clara Zetkin, Radek, Karl Liebknecht. De laatste heeft in de Rijksdagzitting van aanvang December 1914 tegen de oorlogskredieten gestemd, en dat aldus gemotiveerd :

„Mijn stem tegen het wetsvoorstel van heden berust op deze overwegingen:

Deze oorlog, die geen der betrokken volken zelf heeft gewild, is niet ontstoken ten bate van de welvaart-van het Duitsche of van eenig ander volk. Men heeft te maken met een imperialistischen oorlog, een oorlog om politieke heerschappij over gewichtige exploitatie-terreinen voor het industrie- enf bankkapitaal. Van het standpunt der konkurrentie in de oorlogstoerustingen heeft men ie maken met een door de Duitsche en Oostenrijksche oorlogspartijen gemeenschappelijk in de duisternis van het half-absolutisme en der geheime diplomatie uitgelokten krijg, om de tegenstanders vóór te zijn. Tevens is de oorlog een Bonapartistische poging om de groeiende arbeidersbeweging te ontzenuwen en te verpletteren. Dit hebben de verloopen maanden, in weerwil van een niets oriizienden oorlog om de hoofden te verwarren, met steeds grootere duidelijkheid geloond.

De Duitsche leuze „Tegen het Tsarisme" bedoelde — evenals de tegenwoordige Engelsche en Fransche leuzen „tegen het militarisme" — de edelste neigingen, de revolutionaire overleveringen en idealen van het volk voor den volkshaat in beweging te brengen. Duitschland, d? medeplichtige van het tsarisme, het voorbeeld van politieke achterlijkheid tot den dag van heden toe, heeft geen roeping als bevrijder van de volken. De bevrijding van zoowel het Russische als het Duitsche volk moet beider werk zijn.

De oorlog is geen Duitsche verdedigingsoorlog. Zijn historisch karakter en aanvankelijk verloop beletten vertrouwen te stellen in de bewering eener kapitalistische regeering, dat het doel, waarvoor zij kredieten vraagt, de verdediging van het vaderland is."

In verband hiermede moet ook genoemd het Bremer partijblad, dat vóór en tijdens den oorlog een schitterende revolutionaire propaganda voert.

Wij hopen, dat zij allen een groot aantal Duitsche arbeiders achter zich hebben.

Sluiten