Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere zij, een oude man met hoog rood op de jukbeenderen en vies-glanzende wateroogen. Op de moe-onverschillige toon van iemand, wie het genade-betoon van zooveel belangstelling eigenlijk te veel is, liet ze langzaam de woorden vallen:

— Meneer Holberg, ik hoor, u bent Amsterdammer.

Onmiddellijk had ik me omgekeerd.

— Ja, Mevrouw, ik ben hier geboren. Toen kwam, op een toon, of ik vooral niet

wou denken, dat ze naar mij geïnformeerd had:

— Onze gastheer zei het me straks. En ze keek naar de overkant.

Ik keek ook — en wist meteen.

Een seconde triomfeerden zijn oogen over haar, de mooie, kokette, die hem vleide met dat „onze gastheer"; maar wat ze zei, dwóng zijn blik naar mij — en de blauwe oogen bekenden.

Natuurlijk zou zijn geweest, als hij gezegd had: — „O ja, dat is waar, u bént immers Amsterdammer?" of iets in die trant, om toe te stemmen, dat hij over me had gesproken. Maar hij zweeg, hij moést mij aanzien, al de triomf was al weg uit die oogen, weer was het de blik van in het begin en ik wist nu; spot was dat niet; het was een verlegen willen-tarten, van iemand, die zich dwingt tot trotseeren. Trots eer en wilde hij maar bekende! Even wroette, wrong er iets in me, dat ik op zou

Sluiten