Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

me gedaan had: toen ik een kind was, soms opeens, wanneer hij even zich uiten moést; later, op mijn nadrukkelijk vragen, wanneer ik hem ieder wóórd uit de mond trok; had hij toch altijd met strakke beslistheid elke nadere aanduiding van die vijand uit zijn leven vermeden of geweigerd. Er was een rijk man, met blauwe oogen, enkele jaren jonger dan vader, die voor een Maecenas wilde doorgaan — meer had hij nóóit willen loslaten.

Wel weet ik nog, ik was een jongen, dat vader me gejaagd wegvoerde uit een tramhuisje. We waren er gaan schuilen voor de regen. Opeens trok hij me mee. Hij zag toen doodsbleek. Er was niemand dan één heer in dat huisje geweest. Ook had ik gezien, dat die blauwe oogen had en vader scherp fixeerde, maar het was alles zoo snel gegaan.... ik hield een flauwe herinnering.

Nooit zou ik die man hebben herkend. Evenmin was het ooit in me opgekomen, het gebeurde van die middag in verband te brengen met de vijandschap tusschen vader en iemand, wiens daden ik veel later had vernomen, maar wiens naam me nooit gezegd was.

Maar nu hier aan tafel ging me plotseling een licht op. Tot op dit oogenblik waren mijn gedachten niet geordend geweest. Alleen een intuïtief gevoel van antipathie, een onverklaarbare weerzin tegen die man daar vlak

Sluiten