Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misschien klinkklare hypochondrie, vrees voor het hiernamaals, voorbereiding tot sterven? Een blik in zijn oogen moet het mij leeren; uit den klank van zijn stem moet ik het weten, of mijn innerlijk oor mij niet bedriegt, wanneer ik uit de oerkrachtige wijze van zijn spreken den toon der oprechtheid verneem. Ik ben er zeker van, dat ik mijzelven niet iets kan wijsmaken, en wanneer het beeld, dat ik mij van hem vorm, door de werkelijkheid ook maar in het nietigste onderdeel wordt gelogenstraft, dan is het met mijn stillen eeredienst gedaan" (bladz. 273).

Met zulke gedachten komt Hugo Ganz in Tolstoys huis. Zijn eersten indruk van Tolstoy beschrijft hij als volgt:

„Het ergste was ik teboven: de vrees voor .... ontgoocheling. Zij had plaats gemaakt voor eene soort roes. De oneindige goedheid van zijne oogen, de zachtmoedigheid van zijne gebaren, de lieflijkheid van zijn stralend grijsaardshoofd — het oefent tegader een betooverenden invloed.

Van eenigen twijfel aan de volkomenste oprechtheid kan geen sprake meer zijn; de aandacht wordt geheel en al in beslag genomen door verbazing over de deemoedige kalmte van dezen strijdva'ardigen mensch, dien men, afgaande op den bloedigen ernst van zijn laatste geschriften en op de in omloop zijnde afbeeldingen, voor een somberen tobber zou kunnen houden. Al woelen nog zulke titanische gedachten in dit Michel-Angelo'sche hoofd, wat daarboven zetelt is een afschijnsel van een heiligen, onverstoorbaren vrede, die lenigenderwijze ook de spanning van onze eigene ziel losmaakt" (bladz. 276 en 277). ')

Een derde kenmerk van Tolstoy gedurende zijn gansche leven was de volslagen afwezigheid van vrees. Zijne schildering van dappere mannen is dan ook onovertroffen. In zijne eposachtige romans staan zij als Homerische helden voor ons.

Weliswaar betrof het aanvankelijk alleen de afwezigheid van vrees öm het kwade te doen, uit moreele, sociale of conventioneele overwegingen; doch later werd het afwezigheid van vrees voor den spot van zijne familie en standgenooten, moed om zijn zieleheil te zoeken, waar hij het maar dacht te vinden, in' de Orthodox-Grieksche Kerk of in de hutten der

1) Zie ook bij Walter Kühne op bladz. 20 en 21.

Sluiten