Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In November 1855 kwam Tolstoy in St. Petersburg en werd aldaar door den letterkundigen, kring van „De tijdgenoot", waartoe ook Toergénjef behoorde, met blijdschap begroet. In den winter van 1856 voltooide Tolstoy „De sneeuwstorm" en „De twee huzaren". Voor „De sneeuwstorm" heb ik geen woorden van bewondering genoeg. Met een verrassend meesterschap is de ervaring van een snikheeten zomerdag verwerkt in de slaperigheid van den reiziger in de slede, die gevaar loopt, al dommelende dood te vriezen. Als een blijde verzuchting zeggen we de slotwoorden na: „We zijn er, heer!"

In November 1856 sloot Tolstoy zijn „Jongelingsjaren" af, zonder die eigenlijk voltooid te hebben. Zoo kwam er niets van zijn grootsche voornemen om, onder den titel „Geschiedenis der vier levenstrappen", de „Kindsheid", de „Knapenleeftijd" en „De jongelingsjaren" \met als vervolg „De mannelijke leeftijd" in één grooten roman samen te vatten.

Met „De Kozakken" kwam hij evenmin gereed; want de copie had hij onafgewerkt verkocht voor 1000 roebel ter voldoening van een speelschuld van datzelfde bedrag, welke hij in één avond, den avond daaraan voorafgaande, met biljarten gemaakt had. Op grond van deze pijnlijke herinnering heeft het Tolstoy later aan den zedelijken moed ontbroken, den roman af te maken, niettegenstaande hij het zich had voorgenomen. Die treurige verkoop van „De Kozakken" greep pla"ats in het begin van 1862, het jaar van Tolstoys huwelijk — in Januari 1863 verscheen het verhaal in druk.J)

Hoofdpersoon in „De Kozakken" is Olénin, en Olénin, de zoeker, de denker, de strever naar zedelijke volmaking, is wederom Tolstoy. Men moge dien Olénin sympathiek of antipathiek vinden, zoodra men subjectief aan het waardeeren gaat en wederrechtelijk als maatstaf aanlegt, hetgeen eigen ziel aangenaam of onaangenaam aandoet (zooals Toergénjef indertijd deed en daarom Olénin triest en vervelend vond, een bederver van den algemeenen indruk) — wie een episch schrijver recht doet wedervaren en hem in zijne figuren objectief waardeert, zal enkel vragen, of de schrijver de werkelijkheid goed heeft uitgewerkt en of de weergegeven werkelijkheid zuiver op den lezer terugwerkt. Aangezien nu in het onderhavige geval Olénin de naar buiten gebrachte Tolstoy zelf is, kunnen we van de getrouwe weergave zeker zijn en behooren we aan

!) Zie bij Biroekof op bladz. 443 en 444.

Sluiten