Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het doen en een Christendom van het denken, waarvan het een met het ander wel verband houdt of waartusschen Tolstoy wel het een of ander verband maakt, doch die niettemin te onderscheiden zijn.

Ik noem het Christendom van het doen het éérst, omdat dit aan het Christendom van het denken min of meer is voorafgegaan en reeds tot Tolstoy had gesproken, zoowel door middel van de Bergrede alsook bij monde van deszelfs levende woordvoerders onder de moezjieks (ik noem slechts den bekenden Soetajef), aleer hij zich zelf een Christelijk beredeneerd denksysteem schiep.

Tolstoys Christendom van het denken is een soort gnostiek Christendom, dat weinig of geen steun zoekt in de gewijde, Christelijke literatuur en zoo nagenoeg het karakter aanneemt eener zuiver wijsgeerige levensbeschouwing, terwijl daarentegen zijn Christendom van het doen geheel op het Nieuwe Testament, voornamelijk op de Bergrede, gegrond is en zich getrouwelijk houdt aan den letterlijken tekst.

In dat gnostieke karakter is Tolstoys Christendom van het denken al even weinig Westersch als zijn Christendom van het doen zulks is in deszelfs ebionietische eigenaardigheid om vrijwillige armoede te betrachten.

Z. Stokvis, die Rusland bereisd heeft, getuigt in zijne Inleiding tot de Russische literatuurgeschiedenis" (bladz. 85): "De Russen zijn welljcht het minst metaphysisch aangelegde volk der aarde. De Russische aard is realistisch, praktisch .

De Rus is eerder klaar met doen dan met denken.

Het ging dan ook Tolstoy zooals het den rijke uit de evangeliën ging, die niet vroeg: wat moet ik denken om het eeuwige leven te beërven? maar „wat moet ik doen, om het eeuwige leven te beërven?"

Men mag het dus niet toevallig noemen, dat het geschnlt, waarin Tolstoy de balans van het leven opmaakt om te beslissen, of het op den ouden voet en in den ouden geest kan worden voortgezet, den titel voert:

„ Wat moeten wij dan doen ?" *)

i) Dit werk verscheen in de jaren 1884-1885. Onder den titel Was Sollen wir denn thun?" zag een Duitsche vertaling m 2 dln. bij üugen Diederichs te Leipzig het licht (1902). Wat Eugen Diederichs uitgeef , is alüjd onberispelijkPeng daarom noem ik de bij hem verschenen vertaling liever dan de Nederlandsche vertaling van 1892.

Sluiten