Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ,JSinn des Lebens". In Ned. vertaling verschenen bij de Drukkerij „Vrede" in 1899 „De Christelijke leer" en in 1901 „Mijn Evangelie". ;'■

Toont Tolstoy zich als romanschrijver een scherp analyticus in „De Christelijke leer" als ethiekschnjver is hijeen knap syntheticus. Hij behandelt daarin achtereenvolgens: „Oude leeringen en nieuwe opvatting van het leven", „Zonden , „Valstrikken", „Godsdienstige misleiding en de middelen om daarvan bevrijd te worden", „Verlossing van valstrikken", „De strijd tegen zonden" en „Het gebed".

Met „Mijn Evangelie" heb ik nooit kunnen dwepen. Uok hierin is wel weer de synthese te bewonderen — elk der 12 hoofdstukken is ingericht naar een integreerend deel van het Onze Vader'' — maar zijne beschouwing en zijne bewerking van den inhoud der evangeliën komt mij zeer willekeurig voor. Dat wil zeggen: willekeurig is Tolstoy volstrekt met, wanneer hii eenmaal aan het redeneeren is, wanneer hij eenmaal zijn uitgangspunt achter den rug heeft. Dan is hij strikt logisch, streng wettisch zelfs. Maar dte willekeur schuilt bij hem m de keuze van het uitgangspunt. Voor het verder verloop is Tolstoy geniaal genoeg, om al het overige dienstbaar te maken aan zijne grondvoorstelling, zelfs om wat hem tegenloopt, rechtsomkeert te doen maken en met zich te voeren als bewijsmateriaal. Zelf is hij een systematische natuur; overal elders zoekt hii nu ook een systeem. Dat hij zulks tegenover de evangeliën niet heeft kunnen nalaten, doet hem dermate zondigen tegen de moderne bijbelcritiek, dat een theoloog herhaaldelijk het hoofd zal moeten schudden. Het systematische, dat hemzelven eigen is, heeft hij zelfs in die chaotische mengeling van gedachten en van geschriften uit de wordingsdagen van ons Christendom trachten terug te vinden. Tolstoys dooreenwerking van het Johannesevangelie met de synoptische evangeliën is ook zeer verwarrend.

In korte zinnen zij hier nog de inhoud van lolstoys „Evangelie" weergegeven: De prediking van Christus heeft het geloof in een uitwendigen God vervangen door de ware opvatting van het leven. De mensch, de zoon van God, is machteloos in het vleesch en vrij in den geest Daarom moe men niet werken voor het vleesch, maar voor den geest. Het leven van alle menschen is voortgekomen uit den geest des Vaders, die de Oneindige Oorsprong van het Zijn is. Daarom is de wil des Vaders het leven en het welzijn van alle menschen.

Sluiten