Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SLOTBESCHOUWING.

„De Rus verschilt psychisch sterk van den West-Europeaan. De Rus is impulsief en geneigd tot uitersten. De meest karakteristieke karaktertrek der Slaven is: ieder idee in het leven tot haar uiterste consequentie te willen doorvoeren'' i).

De schrille tegenstelling tusschen het leven, zooals het behoort te zijn en zooals het is, heeft Tolstoys laatste levenskracht gebroken.

Zoozeer kwelde hem alle disharmonie, dat - hij zelfs de barbaarsche levensharmonie kon prijzen in den gouverneur van Poeltawa — die openlijk verklaarde, Christus te zullen arresteeren, indien deze wederom zijn revolutionaire predikingen kwam houden — gelijkerwijs Jezus zelf eenmaal een woord van lof duldde voor den consequenten rentmeester in Luc. XVI.

De schreeuwende tegenspraak tusschen de leer des Christendoms en het gedrag dergenen, die zich Christenen noemen, folterde zijne ziel. Doch bij zich zeiven ontdekte hij de ontrouw evenzeer en spaarde zijn eigen persoon allerminst. Men kon hem geen verwijt van inconsequentie maken, hetwelk hij zich zeiven niet reeds gemaakt had. In een brief, geschreven in Augustus^ 1882 en opgenomen in den belangrijken bundel „Leo Tolstoi. Brief e 184.8—1910. Gesammelt und herausgegeben von P. A, Sergejenkd', ontboezemt hij zich als volgt:

„Men voert [tegen mij] aan: wanneer gij vindt, dat het leven onredelijk is, indien men niet-leeft naar de Christelijke leer, waarom volgt gij dan zelf hare geboden niet op, zoo gij dat redelijke leven waarachtig liefhebt? Daarop kan ik alleen antwoorden, dat ik inderdaad schuldig ben, omdat ik die geboden niet opvolg. Ik moet er echter, minder om mijzelf te rechtvaardigen dan om de consequentie mijner handelingen te verklaren, aan toevoegen: Let eens op mijn leven, mijn vroeger en mijn tegenwoordig, en gij zult erkennen, dat ik mij toch moeite geef, om de geboden van Christus op te volgen . . .

Geef mij er de schuld van — dat doe ik mijzelf ook —; wijt het aan mij, maar niet aan den weg, dien ik ga en dien ik

!) Woorden uit eene voordracht van Boris Raptsjinsky, Russisch journalist en leeraar te Amsterdam, volgens het verslag van de N. Rott. Ct. van 30 Mei 1917.

Sluiten