Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de woorden: „Het is goed, dat je er mij aan herinnert. Ik heb je zoo pas een bankje van 25 roebels gegeven. Waar is de rest?" De bediende stond als verstijfd. „Maar . . . maar, u hebt mij niets gegeven. Geen kopeek. Neem mij niet kwalijk, mijnheer!'' Het Onrecht zet een keel op, zoodat de andere bezoekers opspringen. De waard komt aangeloopen en vliegt op den bediende af. Deze breekt in tranen los en roept wanhopig: „Waar blijft nu de Waarheid?" Maar de Waarheid staat er bedremmeld bij en. zegt: „De Waarheid is hier, maar ik heb thee met hem gedronken en moet dus zwijgen".

Daarop waren de twee grijsaards vertrokken.

Op zijn verslag van die ontmoeting het Tolstoy toen volgen: „Die oude man heeft gelijk, duizendmaal gelijk, dat ik de waarheid niet zeggen kan. Ik drink ook werkelijk thee met het onrecht. Maar eenmaal ruk ik mij met mijn geheele ziel van dit alles los en ik weet zeker, dat het nog gebeuren zal".

Tolstoy gevoelde het als een bitter onrecht, hem aangedaan, dat men hem verhinderde, om de consequenties van zijne leer te beleven of ... te besterven. In het eerste werkte zijne familie hem tegen, tot het laatste werkte de Overheid niet mee. De Russische justitie ging subtieler, maar tevens wreeder 'te werk. Zij strafte Tolstoy, door zijne vrienden te straffen. De eene vriend na den ander werd gedood, verbannen of opgesloten. Dat maakte Tolstoy ten laatste zóó wanhopig, dat hij aan den Minister van Justitie een brief schreef (gedagteekend 20 April 1896), waarbij hij zichzelven openlijk aangaf. Hij zegt daarin: „In het onderhavige geval ben ik de misdadiger: ik schrijf de boeken en ik verbreid deze misdadige gedachten schriftelijk en mondeling, en daarom moet de regeering tegen mij optreden in plaats van tegen de toevallig door haar betrapte bezitters, lezers en verspreiders van mijne verboden geschriften. De regeering is er te meer toe verplicht, om dusdanig tegen mij op te treden, aangezien ik mjjne werkzaamheid niet alleen niet verheimelijk, maar integendeel door dezen brief daarvoor openlijk uitkom. Ja, ik heb deze boeken, welke de regeering voor verderfelijk houdt, geschreven en ze verspreid, en ik ga ook nu nog ermee voort, dergelijke gedachten als 'in mijne vroegere geschriften staan, in mijne nieuwe boeken, in brieven en in gesprekken te uiten en te verbreiden".

Het gevoel van onvoldaanheid over zichzelf was alléén reeds voldoende, om Tolstoy den Nobelprijs te doen weigeren, welken men hem wilde toekennen voor zijn vredewerk. Hij

Sluiten