Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE UREN.

Dag en Nacht brengen ze mede, door de lichte en donkere poorten...

O, de morgenuren, o de vreeslijke morgenuren! Het Eerste is binnen geslopen, door slecht gesloten gordijnen, tusschen kieren van blinden en zij is zoo grauw en armbloedig en akelig, een larve, een spook gelijk... Zij heeft niets van eene der bevallige Uren, die Rafaël schilderde; zij heeft niets van een dansende Hore, die de Dageraad vergezelt; zij is een magere, schuwe, grijze schim, die binnen is gekropen langs verbodene ingangen, terwijl ik nog te bed lag en sliep. Zij heeft mij, de Eerste ure, — zij is, meen ik, „Zes" genaamd — plots doen wakker schrikken onder haar killen spokekus en zij heeft er pleizier in haar morgenasch te spreiden over en in de zoo heerlijk fluweelige nachtschaduwen mijner kamer. „Weêr een dag! Weêr een dag!" sist zij mij toe én ik draai haar mijn rug toe. Ik wil nog slapen, ik wil haar niet zien, die eerste ure, die eerste schoonheidlooze ure, zonder bekoring ...

Ik laat haar heel alleen tobben in mijn kamer. Ik meen zelfs, dat ik weêr in slaap ben gevallen maar de komst van hare zuster, die ik ook haat, bespeurende door mijn lichte slaap heen, ben ik even uit bed op gewipt, heb de gordijnen dichter over elkander getrok-.

Sluiten