Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van karakter was, dat hij dadelijk over zijn verdriet héén ware geweest, zoo hij, Rudolf, van Marietje was blijven werk maken.

Rudolfs vader, de ambtenaar bij de Posterijen, kreeg een tamelijk aardig erfenisje; Rudolfs broêrs en 'zusters waren goed gehuwd en in betrekking en Rudolf, die litterair was aangelegd, schreef zijn eerste novellen en artikelen.

— Het leven is waarachtig nog zoo kwaad niet, zeide Rudolfs vader eens, behagelijk zijn pijp rookende.

Rudolfs moeder herinnerde zich op dat oogenblik, , plotseling, Rudolfs vraag van jaren her en keek haar zoon snel aan. Maar Rudolf bleef rustig vooor zich uit kijken, met zijn een beetje droevige, sombere oogen.

Hans' moeder kreeg een verlamming en zijn vader verloor veel geld.

— Ach, geld is geen geluk, zei Hans eens; en moeder kan zich zóo goed in haar stoel bezig houden, met lectuur, met handwerk: die verlamming is haar alléén in de beenen geslagen; haar béide armen en handen zijn , onaangetast: héél gelukkig!

En hij Voegde er bij:

— Ze heeft nooit veel van wandelen gehouden. De beide vrienden gingen wel eens met elkander op

reis. Zij waren nu over de twintig en Hans was een vroolijke, gezellige jongen, opgeruimd, met twee altijd lachende, blauwe oogen, en een onverstoorbaar goed humeur. Rudolf deed geene vreemde, filozofische vragen meer, maar de stille somberheid lag steeds diep in zijn ziel. Hij was het dikwijls, die Hans op, hunne uitstapjes trakteerde.

— Rudolf, zeide Hans eens; hoe vergeld ik je toch ooit wat je voor me doet. Door jou heb ik Londen en Parijs gezien, want je begrijpt dat met wat ik verdien op die Bank, waar ik in betrekking ben, ik niet kan reizen.

— Hans, zeide Rudolf; door eens een énkelen keer

Sluiten