Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij verdiende, want hij had veel talent. Het verheugde hem in staat te zijn Hans nu en dan eens te helpen, als Hans gespeculeerd had; Hans'speculaties kwamen nooit in zijn voordeel uit. Op een goeden morgen kwam Hans bij Rudolf, met de verklaring, dat hij geruïneerd was.

— Maar ik ben eerlijk gebleven, zeide Hans opgeruimd ; en dat is toch eigenlijk alles. Verbeeldt je als ik me had laten verleiden...

— En wat ga je doen ? vroeg Rudolf somber.

— Ik ga buiten wonen, zei Hans; bij Laren. Ik ga daar wat heereboeren, en het buitenleven zal de kinderen veel goed doen. Ze zagen er den laatsten tijd pips uit... Ik heb al een boerderij op het oog en dan denk ik er een paar kamertjes bij aan te bouwen. Ach, je weet, ik heb altijd gezegd: geld geeft géén geluk. Nu is het wel waar, dat ik van koeien niet het minste verstand heb, maar dat komt wel. Als je zoo een boerderijtje heb, eet je altijd versche boter. Onze boterboer, den laatsten tijd... De baby krijgt dan ook altijd goede melk en met je eigen kippen, weet je, heb je altijd volop eieren, nu dat de eieren zoo duur worden ... Kom je eens bij mij logeeren?

Het was of Rudolf het plotseling zwart en toen rood voor zich zag worden. Er verblindde hem iets, dat hij niet zeggen kon en begreep. Maar zonder zich rekenschap te geven en zonder zich te kunnen overmeesteren, stortte hij plotseling op Hans toe en zijn magere vuisten omsloten Hans' dikken, rozigen gorgel.

— Help, help! riep Hans.

Dit gebeurde ten huize van Rudolf. Toen Rudolfs keukenmeid en huisknecht op het hulpgeschreeuw van Hans de trap op stormden, vonden zij hun heer liggen over het neêr gestorte lichaam van Hans en diens gorgel steeds in den schroef van huns meesters vuisten. Hans was reeds blauw en paars in het aangezicht, en zijne oogen puilden.

— Meneer! Meneer!! riepen huisknecht en keuken-

Sluiten