Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meid en zij rukten hun heer weg van het bezwijmde lichaam zijns vriends.

Rudolf liet zich wèg rukken, liet zich öp rukken. Hij stond wezenloos.

— Heb ik hem verworgd? vroeg hij. Heb ik hem vermoord?

— Ik geloof het-wel, meneer! antwoordde de huisknecht, die nu neêr knielde bij bet levenlooze lichaam.

— God dank!! riep Rudolf. Dat ik het eindelijk gedaan heb! Wat een verluchting! Jaren al, sedert onze kinderjaren af, smacht ik er eigenlijk naar meneer Hans te vermoorden! God dank, dat ik het riü gedaan heb! Zijn eeuwig optimisme is té véél voor mij geweest! Hoe heb ik het nog al dien tijd kunnen harden! Enfin, nu, eindelijk is het uit! Nu zal ik nooit meer hooren, dat er, hoe ellendig het leven ook is, nog altijd iets goeds van gemaakt kan worden. Telefoneer even aan de politie en geef mij aan. Om van zoo een vriend éindelijk bevrijd te zijn, zit ik gaarne tien, twaalf jaren.

De huisknecht aarzelde te telefoneeren, maar de keukenmeid was azijn en water gaan halen. Zij had Hans' purper aangezicht liefdevol gebet. En het scheen, dat Hans herademde. In der daad, hij was niét dood. Hij kwam bij, hij herleefde; keukenmeid en dienstknecht hielpen, hem op.

Maar Rudolf had dit met wanhoop en gebalde vuisten en puilende oogen aanschouwd.

En toen Hans weêr recht voor hem, stond, barstte bij los.

— Hans!! schreeuwde Rudolf. Het schijnt, dat ik je niet heb vermoord. Nu, zoo veel te beter voor jou; ik meen eigenlijk, zoo veel te érger! Maar dit zeg ik je: ga naar je boerderij en drink je eigen melk en eet je eigen eieren en kom mij nóóit meer onder de oogen! Want een volgenden keer, als misschien je boerderij door den bliksem getroffen werd, of als jij, met je kinderen, net Job, op den mesthoop zat en je

Sluiten