Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GROOTVADER.

Als de oude man het kind aan zijn voeten zag spelen, herdacht hij den vader.

Het was in de groote kamer de grauw fluweelige stemming van het einde des namiddags, waarin het vuur van den haard fel gloeide boven de zacht weg zevende asschen heen. De enkele lamp verlichtte bijna alleen het boek, dat de oude man in zijn handen hield, maar zijne oogen dwaalden telkens weg naar het kind. Het speelde op de beerenvacht voor den haard met een kleinen beer van bruin vilt. In zijne fantazie bracht hij zeker den kleinen beer te zamen met den ruigen beerenvacht, en was de kleine beer wellicht het jong...

De grootvader zag naar het kind, zoo als het, soms met een bijna gemurmeld woord, zijn spel vervolgde, verlicht in het opgevlam van de blokken. Het was bijna zeven jaren, teêrtjes en bleek van tint en van eene bijna ziekelijke bevalligheid in zijne gebaartjes, met den kleinen, bruinen beer, in die ruige molligheid van de groote beerenvacht. In zijn grijs fluweelen pakje, de blonde krullen even tot op de schouders hangende, had het kind in de nu en dan fel doorvlamde namiddagschemering iets oneigenlijks als van een gratieuzen gnoom, een kleine aardgeest en kreeg zijn spel een tooverachtige beduidenis, als of het niet het gewone spel van. een kind was ...

Sluiten