Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De grootvader herdacht den vader, die nu dood was — even als de moeder,. Hij zag hem voor zich — zijn eigen zoon — een jonge man; hij zag hem voor zich als kind, spelende in deze zelfde kamer, op die zelfde vacht!; hij zag hem voor zich als een mooie, sterke knaap — met zijn korte broek en zijn even blondbruin krullende haren — wèg zwierende op een rijwiel; hij zag hem voor zich als kadet, als jong officier, innemend, gemakkelijk, man-van-de-wereld, man-van-sport... Hij zag hem voor zich als echtgenoot en naast hem ^zag hij zijne schoondochter, door de vlamweêrschijnsels uit den haard zag hij haar bijna gaan, als eene schim, eene schim van leed, broos, blank, blond, blond als het kind, dat aan zijn voeten speelde ...

De grootvader bespiedde het kind. Leek het op zijne moeder, leek het op zijn vader ... ? Op beiden geleek het kind; maar zoo spelende in die weerschijnen geleek het, vond de grootvader, treffend op zijne moeder; het was het zelfde teêre profiel, de zelfde mond met iets van een pijnlijken glimlach, die in de hoekjes aarzelde, en dan die handen en die bewegingen, zoo vreemd suggestief tooverachtig...: zij had dat juist zoo gehad, als zij bloemen schikte...

Zij waren beiden dood, die jonge vrouw, die jonge man ... Zij was misschien van verdriet gestorven, voor zoo ver van verdriet iemand sterft en hij, hij was gestorven van ondeugden, voor zoo ver iemand van ondeugden sterft. Sterft een jonge, sterke man van een passie, van een speelpassie, van nacht aan nacht te zitten met de kaarten in zijne handen...? Is zulk een passie zóo verteerend — vroeg zich af de oude man — of compliceert zich de eene hartstocht met den andere; drukt er een noodlot over hartstochten; sleept de eene de andere mede; sleept die van het spel mede die van den drank, die van de drank alle anderen ... Hartstochten, waren het hartstochten geweest? Neen, het waren niét geweest zulke koninklijke

Sluiten